is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor geloofs- en zedeleer in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afzonderlijke geloovige de waarheid en het heil ontvangen. Van de kerk als geheel ontvangt dan ook iedere bisschop of priester zijn ambt en taak; eerst zóó mag gezegd worden, dat zij door den heiligen Geest zijn aangesteld. Hun ambt is dan ook een geestelijk ambt, geen wereldsch ambt. God roept hen niet om te „heerschen" over de kudde, maar om met hun gaven en bevoegdheden de kerk te „dienen". Immers ook Jezus Christus, het Hoofd der kerk, verklaarde van zichzelf, dat Hij gekomen was „niet om gediend te worden, maar om te dienen". Zoo begreep ook Paulus het, toen hij tot de priesters der gemeente van Efeze zeide: „Geeft acht op u zelf en op de geheele kudde, waarover de heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om te weiden de kerk Gods, die Hij door zijn eigen bloed verkregen heeft."1)

De verhouding tusschen de leidslieden en de geloovigen2) is een verhouding van wederzijdsche liefde en vertrouwen, dienstbaarheid en gehoorzaamheid; het is de verhouding van herder en schapen, naar het woord van „den grooten Herder der schapen"3): „de herder roept zijn schapen met name

en leidt ze uit; hij gaat vóór hen en de schapen volgen

hem, want zij kennen zijn stem."4)

<) Hand. 20:28.

») Hebr. 13:7, 17.

3) Hebr. 13:20, 1 Petr. 2:25.

«) Job. 10:3, 4.

7