Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HOOFDSTUK

W ez enen Werking der Genade

f 23. De genade Gods.

In de vorige paragraaf spraken we herhaaldelijk over Gods „genade" en dit woord komt ook telkens voor in de teksten uit het Nieuwe Testament, die wij daar aanhaalden. Wij moeten daarover nu afzonderlijk spreken.

Wat bedoelen wij met het woord „genade"?

Genade is de gunst, die men iemand schenkt, zonder dat deze er recht op kan doen gelden. Zoo is Gods genade zijn gunst jegens zijn schepsel, en aangezien de mensch zondaar is, is Gods genade de onverdiende gunstige gezindheid, die God jegens den zondaar openbaart.

En nu moeten we dat vooral niet menschelijk denken. Een koning kan een misdadiger „genade" schenken — gratie, noemen we dat nog, met het Latijnsche woord, — maar dat blijft toch iets uiterlijks, en het wil nog niet zeggen, dat die koning zich vriend voelt van den misdadiger en hem liefheeft. Maar als wij zeggen, dat God ons genadig is, dat God ons genade schenkt, of dat wij iets ontvangen, iets worden of zijn, of iets doen „door zijn genade", dan wil dat zeggen, dat God in al zijn liefde zich tot ons keert, met die liefde ons koestert, zoodat wij geheel Hem toebehooren. Wij ervaren dan God het volst, het heerlijkst, het sterkst. Hij bestraalt ons hart. en wij hebben daardoor Hem lief; Hij bestraalt ons verstand, en wij krijgen daardoor inzicht in Hem en in zijn wil; Hij bestraalt onzen wil en wij voelen daardoor de kracht om zijn wil als onzen eigen wil te volbrengen.

Zoo is dus eigenlijk iedere openbaring van God aan ons. alles waardoor Hij tot ons komt. genade. Want er is geen andere reden, waarom God zich aan ons doet kennen, dan zijn hefdewil. Ook als God ons straft voor het kwaad, of ook als Hij ons leed zendt, doet God dat niet, omdat Hij ons dat

Sluiten