Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkten aanvankelijk (in de tweede helft der vorige eeuw tot in deze eeuw) ten goede als gangmakers tot een reaktie der vereenigde arbeiders tegen schandelijke uitwassen van een nog losbandige, al-te-Uberahstisch-kapitalistische produktiewijze, tegen een roof op den arbeid, die tot in het begin van deze eeuw tot menschonteerende arbeiderstoestanden leidde, welke inderdaad als een vorm van „slavernij" beschouwd konden worden. Het doel, voorzoover het betrof de verbetering van die ergerlijke toestanden en de emancipatie van. het proletariaat in Westersche samenlevingen, werd geleidelijk in zooverre bereikt, dat groote lagen der arbeidersbevolking in West-Europa tot bevredigend stoffelijke welvaart en hooger beschavingspeil waren gekomen. Toen echter aldus het gerechtvaardigde verzet tegen de uitwas-

Spencer. Het doel der menschheid was den enkeling een zoo groot mogelijk deel van zijn arbeid af te nemen en door de machine te laten verrichten. Bevrijding van de „ellende door loonslavernij", gelijk aandeel in „ontspanning, genoegen en kunstgenot": het „brood en spelen" der ondergaande wereldsteden kondigt zich aan.

De vooruitgangsphilisters raakten in vervoering over iederen drukknop, die een mechanisme in beweging zette, die — zoogenaamd — menschelijken arbeid uitspaarde. In plaats van de echte religie van vroegere tijden treedt de platvloersche dweepzucht met de „verworvenheden der menschheid" op, waaronder alleen vorderingen van de arbeidsbesparende en ontspanningbrengende techniek verstaan werden. Van de ziel was geen sprake. Dat is (met enkele uitzonderingen) niet de opvatting van de groote uitvinders zelf, en ook niet van de kenners der technische problemen, maar van haar toeschouwers, die zelf niets kunnen uitvinden en in ieder geval er niets van begrijpen, maar er iets voor zichzelf weten uit te halen. En met het totale gebrek aan verbeeldingskracht, dat het materialisme van alle beschavingen kenmerkt, wordt nu een beeld van de toekomst ontworpen, de eeuwige zaligheid op aarde, een einddoel en een durende toestand, die voortvloeit uit de technische tendenzen van ongeveer het jaar 1880, in bedenkelijke tegenspraak met het begrip vooruitgang, dat een „toestand" uitsluit: boeken als „Het oude en nieuwe geloof" van Strausz, Bellamy's „Het jaar 2000", en Bebel's „De vrouw en het socialisme". Geen oorlog meer, geen onderscheid meer tusschen rassen, volken, staten, godsdiensten, geen misdadigers en geen avonturiers, geen konfhkten ten gevolge van meer- en anders zijn, geen haat, geen wraak meer, alleen maar oneindig welbehagen, alle eeuwen door. Zulke onnoozelheden doen heden nog, nu wij de eindphase van dit triviale optimisme beleven, met afgrijzen aan de ontzettende verveling denken — het taedium vitae van den Romeinschen keizertijd — die bij het lezen van zulke idyllen over ons komt en in werkelijkheid, ook bij slechts gedeeltelijke vervulling tot massalen moord en zelfmoord leiden zon."

Sluiten