is toegevoegd aan uw favorieten.

Het rechterlijk toetsingsrecht tegenover de verordenende bevoegdheid van den gemeenteraad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anders dan met schriftelijke vergunning van den burgemeester. Dit voorschrift werd derhalve onverbindend geacht.

Artikel 1 der verordening tegen de openlijke ontucht te Maastricht bepaalde, dat het verboden was een openlijk huis van ontucht te houden of tot het houden daarvan op eenige wijze mede te werken. En artikel 2, dat onder het houden van een openJijk huis van ontucht wordt verstaan het uit winstbejag of bij herhaling voor anderen beschikbaar stellen van een hui», erf of andere plaats tot het onderling plegen van ontucht, onverschiüig onder welke benaming zoodanige gelegenheid wordt aangeduid of onder welken vorm de beschikbaarstelling plaats vindt. In het arrest van 8 Mei 1911 (W. 9189) werd overwogen, dat de raad der gemeente Maastricht blijkens het verhandelde in zijne vergaderingen van 5 en 15 Februari 1909, bij het vaststellen der verordening, in overeenstemming met het daaraan gegeven voorschrift,' uitsluitend op het oog heeft gehad de bevordering der openbare zedelijkheid in de gemeente, zoodat die verordening niet betreft de handhaving der openbare orde of gezondheid in de gemeente, noch hare huishouding. Verder blijkt uit de omschrijving, door den raad in voormeld artikel 2 gegeven, van hetgeen hij verstaat onder het houden van een openlijk huis van ontucht, dat daarvoor niet wordt vereischt, dat het beschikbaar gestelde huis* erf of de andere plaats voor het publiek toegankelijk zij, of dat daarbij eenige andere eisch van openbaarheid wordt gesteld, zoodat de raad daaronder mede begrijpt het beschikbaar stellen tot het plegen van ontucht van elk huis, erf of andere plaats, ook al wordt daarbij de openbaarheid vermeden en het publiek er niet toegelaten. Wel wordt in de gegeven omschrijving, voor zooveel voor deze zaak van belang, nog de eisch gesteld, dat het beschikbaar stellen moet zijn geschied bij herhaling, maar de toevoeging van dit vereischte maakt het gegeven verbod met tot een voorschrift van openbare zedelijkheid omdat de omstandigheid, dat de dader handelt bij herhaling met noodwendig aan de verboden handeling ruchtbaarheid