is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oekumenische beweging krijgt deze wending het karakter van een nieuw zelfbewustzijn van het Vrijzinnig Protestantisme als onderdeel van het Christendom in het algemeen en met een eigen roeping daarin.

b. Verdieping van de probleemstelling was de tweede formuleering die wrj gaven. De verhoudingen, waarin het Vrijzinnig Protestantisme in de cultuur is opgenomen, beginnen een voor één tot problemen te worden. Men gaat klagen over te groote „gemoedelijkheid", straks over de „burgerlijkheid" van vrijzinnig protestantsche kringen. De aandacht voor het irrationeele in de werkelijkheid ontwaakt en dit brengt mede een herleven van de mystieke en van de profetische geest. En door dit allés heen speelt de invloed der sociale machten, die de vraagstukken hoe langer hoe meer concrete inhoud geeft. 2) Zoo gevoelt men door te dringen tot die elementen van het Christendom, die dieper liggen dan het moreele. „De dagen," aldus Groenewegen in 1900, „dat de z.g. ontwikkeld-godsdienstige zijn godsdienst in wat gemoraliseer onder religieuze termen en zijn modernisme

nis, Mod. Verg. 1920, zie Verz. Werken LT, blz. 305 v.v.)

„Wordt niet wat al te gemakkelijk voorbijgezien, dat alle Christologie toch nog altijd geweest is een roeping tot synthese van idee en historie op den bodem van (historisch) Christendom?... Vergeten velen... niet, dat het hierbij gaat om godsdienstige ideeën, in wier aard het ligt dat zij verwijzen naar irrationeel, historisch leven?" (Dr. J. Lindeboom, Christologie en Kerk, in Vlugschrift no. 4 van de Studieclub van Moderne Theologen, Assen z. j., blz. 35.

VgL ook G. J. Sirks, Geschiedenis en geloof, art. in Theol. Tijdschrift 1918. blz. 256 v.v.

1) Vgl. Prof. Dr. J. Lindeboom, Kerkopbouw, Serie Vragen van Nu no. m. Assen 1931: „In dit verband noemen wij de erkenning van de plicht om als vrijzinnige Christenen... te toonen dat men, hoe groot en belangrijk ook de humaniteitsinslag mag wezen, de schering van het Evangelie van Christus niet voorbijzien wil" (blz. 9);

Dr. L. J. van Holk, De Eenheidsbeweging der Christelijke Kerken, Hillegom 1929: „Onnoemlijk dikwijls hebben christelijke kerken er het hunne toe bijgedragen, om te scheiden en te verdeelen. Het is meer dan tijd, dat zij nederig en vol schuldbesef de hand aan de ploeg slaan om te vereenigen en te verzoenen" (blz. 25).

In de jaren '28 tot en met '31 werd in de Vrijzinnige Christelijke Jeugdbonden verschillende malen over de oekumenische beweging gesproken

Vgl. ook boven blz. 86/37.

2) Verschillende stadia van deze kentering in het modernisme vindt men behalve in de bovengenoemde artikelen Reactie 'of Vooruitgang (Theol. Tijdschrift 1909. blz. 100 en 146 v.v.), in: Prof. S. Cramer, Konservatief Modernisme, Godgeleerdheid en Volksleven Leiden 1882.

Artt. in Teekenen des Tijds van J. J. Bleeker (1901) en H. T. de Graaf (1905).

Referaat van H T. de Graaf op de Moderne Vergadering van 1908: D e waarde der nieuwe christologische beweging, zie Bijvoegsel Hervorming, 1908.

G. J. Heering, Zonde en Schuld naar Christelijk besef, Serie „Redelijke Godsdienst" H no. 8, Baarn 1912.

Referaat van K H. Roessingh op de Moderne Vergadering van 1918: De Kentering in het Modernisme; vgl. de kritiek hierop in de Kroniek van Nieuw Theol. Tijdschrift, 1918 blz. 199 v.v.