is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het tweede gezichtspunt dat hier in het geding moet worden | gebracht is dat van de receptiviteit of de spontaneïteit in het | geloofsleven. Steeds is geloof een eigenaardige verbinding van | die twee. De receptiviteit uit zich in onderwerping aan hetgeen wordt geleerd of overgeleverd. Aangezien echter bh' de religie de ik-functie sterk meespreekt, heeft deze receptie plaats met actiyeering van de geheele persoonlijkheid; het spontane moment is er dus in opgenomen. Geen geloof zonder innerlijke toe-eigening. Volgens de oude definitie is dan ook geloof naast fiducia ook assensus. De macht, waaraan de mensch zich in het geloof onderwerpt, waaraan hij gehoorzaamt, zal dan ook in de regel meer zijn leiding, berustende op geestelijke meerderheid („UeI berlegenheit") dan heerschappij berustende op overmacht, want | alleen voor Ueberlegenheit zal zich de geheele persoonlijkheid op den duur blijven buigen. *)

Met vrucht kan men deze criteria op de ontstaansgeschiedenis van de moderne richting toepassen en b.v. constateeren dat de moderne richting beteekende het ontwaken van het inzicht dat de overmacht der kerkelijke traditie voor het moderne bewustI zijn niet meer voldoende geestelijke meerderheid in zich droeg.

Dat dit inzicht moest leiden tot een onderschatting van het re1 ceptieve en een overschatting van het spontane moment bij de I toeëigening der religieuze waarden, is begrijpelijk. Daarom noemt de vrijzinnig protestant een gezag spoedig „uiterlijk" en mj acht het minderwaardig zich er aan te onderwerpen. Uitteraard verandert dan in de loop van de jaren de psychiI sche ligging t.o.y. de gebieden, waar men de geestelijke Ueberlegenheit vindt, wel. Kende men in de eerste periode aan het gezag I van kerk en traditie slechts het karakter van „Uebermacht" toe, langzamerhand komt men tot de erkenning, dat zij ook UeberleJ genheit kunnen bevatten. Hiermee hangt samen, dat in de latere I jaren het passieve aspect van het geloof meer nadruk ontvangt. Jezus b.v. is dan niet meer „het religieus genie", maar de van God gegrepene. Het spontane van het geloofsleven wordt dan i meer als herschepping dan als schepping gevoeld. Als voorbeeld

I leden voortlevende gemeenschapskracht. In eenzijdig spiritualisme heeft het Vrijzinnig Protestantisme — en wederom niet alleen het Vrijzinnig Protestantisme, maar vele godsdienstige groepen in de nieuwere tfld —, door op de onzichtbaarheid van die gemeenschapskracht de nadruk te leggen haar veelal tot passiviteit gedoemd. In deze onvruchtbare scheiding van geestelnk en daadwerkelijk wezen ligt één der oorzaken van het gebrek aan praktische zin, dat zooveel kerkelijke organisaties kenmerkt. Dat wer|l kelrjk dynamische, waarlijk geestelijke gemeenschap wel degelijk „zichtbaar" wordt en dat men aan de vruchten nog altijd den boom kent, ia de laatste tfld in vrijzinnige kring opnieuw door Snethlage betoogd.

Vgl. A Ritschl, Ueber die Begriffe sichtbareund unsichtb Kirche, Ges. A u f s., 1893, Bd. I, S.68—99,101— 146, 170—233;

R. Seeberg, C h r. D o g m a t 1 k, Bd. II, S. 346 f. Vgl. Aloys Fischer, Psychologie der Gesellschaft, S. 389.