is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar behoorden. Bekend is de gelijkenis die Krisjnamoerti in een van zrjn geschriftjes vertelt: de duivel en zijn metgezel loopen op straat, als iemand die voor hen uit gaat, iets van de grond opraapt. Op de vraag, wat het was, dat die man daar opraapte, antwoordt de duivel: „het is een stuk van de waarheid". „Dan zal die man dus weldra een groot tegenstander van u worden?" vraagt de metgezel. „O neen, integendeel", antwoordt de duivel: „hij wordt mijn medewerker: I am going to let him organise it." x)

Vergelijkt men deze afkeer van organisatie met hetgeen boven gezegd is over het geloof als constitueerende kategorie der religieuze gemeenschap, dan valt het op, dat de achtergrond van deze afkeer zuiver religieus kan zrjn. Het geloof wordt dan vooral als „intuïtie" verstaan, en de werkelijkheid als het tegendeel van systeem: als „duur". 2) Maar deze intuïtionistische geloof s-opvatting moet öf leiden tot ahistorisch, romantisch hyperindividualisme en hyperspiritualisme, óf zrj moet blijken niet meer dan een overgangsstadium, een „brug^' te zn'n tot een geloof, dat opnieuw zn'n normen objectiveert, al zal het dan voortaan in deze objectivaties de kategorie van het „worden" nooit meer mogen verwaarloozen. Het schijnt mij toe, dat hierin het zeer belangrijke recht en de groote winst van het moderne intuïtionisme en anti-intellectualisme gelegen is: dat de moderne geloofs- en gemeenschapsvorm voortdurend wordt gewaarschuwd, levend te blijven.

Het „levend-zijn" van een vorm houdt twee momenten in:

a. de samenwerking van intellect en intuïtie. Overheerscht het intellect, dan treedt op hetzij verstarring in historisme, hetzij vervlakking in rationalisme. Overheerscht de intuïtie, dan dreigt het afglijden naar een eclecticisme, dat het geloof en de geloofsgemeenschap uit het normverband met cultuur en historie losmaakt. De nauwe samenwerking van intellect en intuïtie beteekent een samengaan van intellectueele nauwgezetheid en zuiverheid met een on-intellectualistische opvatting der religie; een theorie der ervaring, die wordt opgebouwd niet als theorie van het kennen alleen, maar ook als theorie van het „beleven", s)

b. Het levend-zijn van een vorm houdt ten tweede in, dat hij in nauw verband staat met het tegenwoordige. Geen vorm is echt, die berust op het „einf ühlen" in een historisch verleden of op de aesthetische appreciatie van een mythisch beeld. Geen vorm is levend, die, de historische kritiek theoretisch erkennend, haar praktisch voorbij gaat. Werkelijke openbaring kan alleen

*) The Dissolution of The Order of The Star, a Statement by J. Krishnamurti, Ommen 1929. p. 3.

2) Vgl. Bergson; hierover L. J. van Holk, De beteekenis van Bergson voor de phll. Theologie, Leiden 1924, spec. blz. 103/104.

3) Vgl. Carl. Stange, Die Religion als Erfahrung, Gütersloh, 1919.