is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dom als eveneens door invloed van buiten beheerscht. In theologisch standpunt verschilden ze niet veel; daaromtrent waren er binnen eigen kring minstens zulke groote verschillen als tusschen de beide groepen. Maar het was hoofdzakelijk een verschil van methode, van kijk, van generatie, waarbij Harnack wel eens te veel een vertegenwoordiger van de oude generatie werd geacht, Harnack, die immers inderdaad vrij ver ging in het erkennen van invloeden van buiten en die al meer neigde later in de democratische en in de rehgionsgeschichtliche richting1).

Zooals gezegd, Harnack paste zich op den duur aan den nieuwen tijd aan en berustte ten slotte in den vooruitgang der godsdiensthistorici. Hij stond in den grond vrij dicht bij Troeltsch en kon met Gunkel e.d. goed overweg. Z ij warén het dan ook niet, die in zijn laatste levensjaren hem met zorg voor de toekomst van de theologie vervulden. Dat was wel de irrationeele sternming, dat waren de dialectici Kierkegaard en zijn leerlingen, K. Barth en de Bardlianen.

En deze irratoneele stemming hing samen met de geestelijke depressie van na den oorlog, met de teleurstelling van den tijd. Er was een neiging tot pessimisme, een vrees om terug te zien en een vrees om vooruit te zien, die een a-historische orienteering in het leven riep; een cultuurmoeheid en cultuurverachting, nu de cultuur niet gebracht had wat men verwachtte. Uit deze geestesgesteldheid werden mede de dialectici geboren en deze bevorderden wederkeerig deze geesteshouding. *) K. L. Schmidt in Theol. Blatter, 1930, no. 9. _ .

Hij noemt het een verschil van „Literaturkritik" en „Stilkritik"; de Rel. Gesch. zijn een aanvulling en correctie van Harnack zooals deze en Ritschl het bij de Tübingers geweest zijn. Het is oa. toch wel iets meer. cf. het omgekeerde ongeveer bij Raak. Pr. Kirchenzeitung Juni 1930. „Der zeitgeschichtliche Richtung kam auf und setzte ihre Hebei an und hebelte alles gleich". De waarheid ligt wel ongeveer in het midden. Deissmann: „Adolf Harnack zum 70en Geburtstag", p. 5/6. R.G.G.* s.v. „Religionsgeschichtliche Schule".

Krüger: „70e Geburtstag**, p. 17 wijst op het verschil i*. Gnosticisme (Harnack) en Gnosis (Godsdiensthistorici). Hij wü het verschil grootendeels herleiden tot verschil van onderwerp. Lietzmann: Rede in Harnackhaus. n>.: Groote rede, p. 6-9. E. Seeberg, a.w., p. 22/23.

Zie Reden und Aufsatze II, p. 313, als voorbeeld van Harnacks oorspronkelijke minachting voor de Religiongeschichüiche School.