is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deur, waarin het dogma van de kerk op de dagorde moet staan

Thohasius voltooide, wat Kliefoth begon; hij nam het dogmabegrip nog strenger kerkelijk als „begrifflicher Ausdruck" van de „Gemeinglaube der Kirche", de geschiedenis als de neerslag van Gods geest, uitloopende op de Luthersche belijdenis. Hij stelde de openbaring aan het begin als grondslag en uitgangspunt van de geschiedenis, maar zelf er buiten staande. Dogma rijde zich later aan dogma, zoodat de geheele christelijke waarheid tot uitdrukking kwam. De eerste periode is volgens hem de grondleggende, de periode van de hoofddogmata; de tweede die van de ontvouwing en theologische bearbeiding daarvan; de derde die van de Reformatie, die de verwording door de hiërarchie herstelde en de afsluiting van het proces vormt. De gedachte van de organische kringen nam hij van Kliefoth over, evenals de idee, dat we nu aan de kerkelijke periode toe zijn *). Volgens hem „hatte sich das Dogma unter der Leitung des H. G. als der notwendige und in der Hauptsache immer maszgebende Ausdruck der christhchen Wahrheit gebildet" 8).

Terwijl de strenge Hegehanen zeggen: „Die Entwickelungsgeschichte des Dogmas von der Person Christi wird uns Schritt für Schritt als Aufsteigen des Glaubens an das Evangehum Jesu Christi bis zu dem metaphysischen Grunde desselben im Wesen seiner Person vorgeführt. Dies war der ganz normale und notwendige Weg des wirkhchen Glaubens und ist nicht als eintrübende Einmischung heterogener Philosopheme zu beurteilen"4).

Tegen dezen achtergrond vertoont Harnack zich, met als voorloopers Nitzsch, die nog beter dan reeds Thomasius de onderscheiding tusschen algemeene en speciale dogmageschiedenis vallen het, en die tevens reeds den oudsten tijd noemde de ontwikkeling

i) Zie Lehrbuch, I, 37; R. Seeberg, Lehrbuch der Dogmengeschichte», I, 22/3; voortaan geciteerd als Seeberg I, II, III. Loofs, Leitfaden, p. 3; P.R.E., art Dogmengeschichte. Grützmacher, Textbuch, p. 124 v.

Kliefoth, Einleitung Dogmengeschichte, 1839, p. 32 v., p. 56 v., 90 v. •) Lehrbuch, I, 38. Seeberg, L 13, 23/4. Loofs, p. 14. Thomasius, Entw. des kirchhehen Lehrbegriffs, 1874/6, I. 8, 11, 12/13, 10 v. Grützmacher, a.w., p. 188/9.

*) Kaftan geciteerd bij KRüger, 70. Geburtstag, p. 15

«) Biedermann geciteerd bij KRüger, 70. Geburtstag, p. 16.