is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan den eenen kant legt Harnack graag nadruk op het naïve, nietreflexieve van de oudste Christenen. Aan den anderen kant exegetiseert hij de mtdrukkingen zoo, alsof een verzameling technisch doordachte spreuken voor hem lag. Van analogische exegese is bij hem geen sprake.

Maar nog veel verder staat Harnack af van de werkelijkheid, dat voor het geloofsbesef der Christenen en voor het door den Geest geïnspireerde bewustzijn der dragers van de Schriftopenbaring, de rijkdom, zoowel in Christus als van den Heiligen Geest Gods zoo groot is, dat deze niet in enkele keurig geformuleerde zinnen kan worden uitgedrukt. De geheele geschiedenis door heeft de kerk van Christus geworsteld om eenigszins in menschelijke woorden uit te drukken, wat het geloof door Gods genade in de Godsopenbaring zag. Het is alleen een bewijs voor de juistheid van haar doen hier, dat deze worsteling reeds in het Nieuwe Testament klaarblijkelijk haar begin en grondslag heeft gehad.

Hier is dan ook gevaar voor „Verschiebung" zegt Harnack, een „Verschiebung" die dan ook wondergauw gekomen is1). Men begon ml. zich te bezinnen, en wilde reeds hier de weldaden van het Godsrijk hebben; daardoor werd aan den zoendood van Jezus een groote beteekenis toegekend en rijn werk hier op aarde als nu reeds vruchtbaar voor de geloovigen voorgesteld *). Dat is dus, als Marcus hier reeds mee begonnen is, een onzegbaar vlugge ombouw; te meer, waar aan dit geloof verbonden is het centraal stellen van dood en opstanding.

Met die opstanding heeft Harnack het moeilijk. Zijn pertinente afwijzing van de mogelijkheid van het wonder, trots alle halve uitspraken, doet hem er toe komen, dat hij die opstanding „verklaart" *).

■O ib. I, 90. . _

Ook in de naamgeving is deze dogmatische „Verschiebung" aanwezig. De naam nak &eoé b.v. beteekent oorspronkelijk „Knecht Gottes", maar deze zin werd door het dogmatische spraakgebruik verdrongen en vervormd tot de beteekenis „Zoon Gods". De oorzaken hiervoor zijn: Deutero-Jesaja en de Grieksche kind-Gods-voorstelling; S. B. A. 1926 „Die Bezeichnung Jesu als Knecht Gottes uj.w.". ») Lehrbuch, I, 93 v.

cf. ook de „eminente Schöpfung der Urgemeinde" het heilig Avondmaal; Entsteh. chr. Theologie, p. 11. *) Lehrbuch, L 95/6, noot 1.