is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden, en van het begin af practisch als autoriteit werden erkend Dat de omvang lang onzeker was en slechts langzamerhand orde en regel werd geschapen, is geen bewijs voor het late ontstaan van den canon. De kerk heeft bijna steeds dan pas zich formeel bezonnen over juiste formuleeringen, als de noodzakelijkheid uit de practijk bleek 2).

Het „bannen van den geest in een boek" hangt samen met Harnacks geheelen opzet, en met zijn niet willen erkennen van de mogeüjkheid, dat de Geest Gods in de waarheid leidt in de geordende en geïnstitueerde kerk en door het geschreven Woord *).

De Satz, over het Nieuwe Testament, dat zich „sofort von den Bedingungen seiner Entstehung" bevrijd heeft, is hiermee dan weer in strijd. Hier lijkt het wel een persónificatie; het is alsof een levend wezen plotseling opgestaan is en zich op wonderlijke wijze met kracht heeft gehandhaafd. Hoeveel eenvoudiger is dan het geloof, dat het Nieuwe Testament inderdaad een gave van den Heiligen Geest is, en dat de geschiedenis inderdaad die is, welke de Christelijke kerk in het dogma der inspiratie aanvaardt.

En wat het het ontstaan der onderdeden betreft, Harnack levert in het geheel geen argument tegen de canoniciteit van de Evangehën, zooals ze daar hggen. Dat de bedoeling om tot één Evangehe te komen, de bedoeling der „kerk" was, buiten en behalve de ons bekende pogingen, wordt door geen enkd fdt bewezen, maar zelfs

*) Het eerste erkent ook Harnack:

Ueber den Privatgebrauch der h. Schriften in der alten Kirche, Leipzig 1912.

Ueber das Alter der Bezeichnung „Die Bücher" (die Bibeï) für die h. Schriften in der Kirche; Zentralblatt, f. Bib. wesen 45, 337 v., 1928. ef. ook Mission, p. 383 v., 385 v., 3891 „

Dat dit voorlezen één der factoren voor de erkenning was, zie Grosheide, Kanon en Text a.w., p. 17 v. Wetensch. Bijdragen a.w., p. 5.

a) voor de groote verbreiding van het lezen der Nieuw Testamentische geschriften, zie Harnack zelf, Beitrage N.T. 5, 1912.

Ook denkt hij niet geheel in tegenovergestelde lijn. Hij acht, dat boeken tot heilige schriften geworden zijn door de „erhabenen Gedanken" die ze „entbunden", dus door het innerlijk gezag dat ze uitoefenden. „Eine Betrachtung: Wie sind Schriften zu heiligen Schriften geworden", 1902 Aus Wissenschaft und Leben IL 307 v. cf. Entstehung, p. 65 v.

Hierin heeft Zahn tegenover Harnack volkomen gelijk, dat het een lang groeiproces geweest is, waarin het gezag der schriften geklommen is meer en meer.

cf. Bavinck I, 420.

») Zie later.