is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hechtte aan het dogma, en wel aan het dogma mee ook in overeenstemming met de oudste kerk, had hem tot bezinning moeten brengen over zijn dogmabegrip en geschiedenisconstructie. En indien niet, dan had hij bij handhaving van zijn begrip zijn dogmageschiedenis nog meer moeten beperken1).

En evenzeer had het schriftstandpunt van ahe reformatoren na Luther hem voorzichtig moeten doen zijn *).

Zijn uitschakelen van deze mannen is ongeoorloofd. Indien hij met Luther hetzelfde gedaan had, en met een enkel woord had vermeld en geadstrueerd, dat hiermee de dogmageschiedenis was afgedaan, we zouden er critiek op hebben moeten uitbrengen, maar het was althans een consequent standpunt geweest. Nu krijgen we den indruk, alsof deze isoleering van Luther moet dienen om Harnacks constructie van de dogmageschiedenis te rechtvaardigen. Want het mag waar zijn, dat Luther de eerste en de meest spontane onder de reformatoren was, als Harnack niet alleen bij Luther ahe reflexie na zijn eerste enthousiasme eigenlijk wü uitsnijden, maar dan bovendien ook die reformatoren zijdelings laat hggen, die ten opzichte van Luther in dogmatische bezinning voortgeschreden zijn, dan wordt zijn standpunt nog des te meer als bevooroordeeld openbaar.

Dat is dan ook wel de bedoeling, n.1. de Reformatie te teekenen als het verzet van het Christehjk gemoed en gevoel, niet alleen tegen het onbijbelsche dogma, en wat daarmee samenhing, maar tegen het dogma zelf. En daarbij moet natuurhjk zoowel de latere Luther alsook Calvijn e.a. voorgesteld worden als een afval. Wij moeten evenwel, ook na Harnacks arbeid te hebben overzien, ons standpunt handhaven, dat de Dogmageschiedenis met den halven Luther niet eindigt.

Harnack evenwel concludeert met vrijmoedigheid nog weer tot rijn uitgangspunt. De dogmageschiedenis eindigt hier. Maar alle vragen blijven over. Is hetgeen de Protestantsche kerken vast-

*) cf. voor Calvijn Seeberg, IV, 559, 626,694 v., waar hij het bijzondere van Calvijn en het Calvinisme tracht te teekenen.

Hij erkent tenminste het Calvinisme als „der vierte grosse Typus, den die Dogmengeschichte kennen lehrt", IV, p. 937.

*) cf. voor Zwingli Seeberg, IV, 357; voor Melanchton, ib., p. 430 v.; voor Calvijn, ib., p. 566 v.