is toegevoegd aan uw favorieten.

Johann van Heemskerck 1597-1656

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het boekje heeft zoo inderdaad veel van het begin van een roman. Het hoofdthema daarvan is, naar het voorschrift van Huet, de liefde. De bescheiden titel geeft aan, dat we te doen hebben met een voorontwerp. Dé Arcadia, zooals Van Heemskerck die beoogde te geven, zou naar het voorbeeld van deze Inleydinghe zijn gevormd. De narede tot den tweeden druk heeft ons eenigermate ingelicht, wat de inhoud daarvan zou zijn geweest. Reynhert was niet aangewezen om vruchteloos te blijven streven naar de liefde van Rosemond, maar de standvastigheid van zijn liefde en de onuitputtelijkheid van zijn geduld zouden haar tenslotte hebben verteederd. Woutheer was voorbestemd om na verscheidene lotgevallen te huwen met Radegond, terwijl aan Waermond de rol van een letterminnend en voor de liefde weinig ontvankelijk gemoed was toebedeeld. Hij was aangewezen om de minnemalligheid der anderen onder de leuze „ongebonden best" uit te lachen.

Liefde, leed en lust, hoop en wanhoop, vreugde, vrees, verlangen en andere aandoeningen zouden ons op levendige wijze voor oogen zijn gesteld. Bij al deze wederwaardigheden zou het gezelschap door de voornaamste steden en plaatsen van Holland worden gevoerd om aan anderen, het „bijkomende" gezelschap, in elke stad gelegenheid te geven de bijzonder» heden dier plaats te verhalen. Het was het plan van den schrijver, den tekst buitendien door ingevoegde vertellingen te onderbreken. Hierbij zou het geheel dienstig zijn geworden om de jeugd, al mallende, de liefde tot het vaderland en de ijver voor de vrijheid in te scherpen.

De didactische bedoeling stond dus reeds in den aanvang voorop. De grondslag echter zou een roman zijn gebleven.

Deze roman, ook het begin daarvan, dat ons in de Inleydinghe gegeven is, verplaatst ons in een arcadisch milieu, dat zich slechts hierin van de gewone wereld onderscheidt, dat de jongelui elkaar, evenals in de Astrée, aanspreken met „herder" en „herderinne". Elk spoor van intrigue ontbreekt. De gevoerde gesprekken zijn beurtelings van amoureuzen of wetenschappelijken aard; slechts de nuanceering dezer gesprekken brengt eenige afwisseling. De toon is steeds hoofsch, doch de degelijkheid der wetenschappelijke, hoofdzakelijk juridische, intermezzo's doet hierbij aanvankelijk wat vreemd aan. Wanneer Galathea echter in de Astrée den zieken herder Céladon verpleegt, vertelt zij hem in den breede de geschiedenis van het land. En zou wat aan de nimfenkoningin Galathea geoorloofd is, niet voegen in den mond dezer aanzienlijke jongelui, die waarschijnlijk Leidsche studenten of pas-afge-