is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vroeger plantages waren wijzen ook in deze richting. Dat de echte poor whites niet de middelen bezaten om land te koopen of een bedrijfje in te richten, is geen bezwaar. De „hen laws" stelden hen in staat dadelijk te beginnen en het land op afbetaling te koopen. Ook werd soms door planters die „landpoor" waren, stukjes van hun bezit pachtvrh' in gebruik gegeven aan negers en blanken, mits die de grondbelasting voor dat stuk wilden betalen. Waar de bestaande kansen zoo gunstig waren moeten wel velen der „low downs" ondanks hun traagheid daarvan gebruik hebben gemaakt en van landlooze „squatters" tot den rang van deelpachters20) of zelfs van kleine eigenboeren gestegen zijn. Maar een algemeen verschijnsel van zulk een principieele beteekenis als sommigen er in willen zien voor de geheele armere blanke bevolking, is het wel niet geweest. Van een algemeene tendens schijnt gesproken te mogen worden, meer niet.

Naast de hier beoordeelde meening omtrent de verbeterde positie der „poor whites" in het veranderde Zuiden zijn verschillende andere opinies te vinden, veelal wat vaag en op sommige punten even moeilijk te bestrijden als te verdedigen. Zoo is Tillett, als velen met hem, getroffen door de na-oorlogsche toename van „blanke" katoen, en noemt als een der redenen daarvan : „the fact that the white man of the New South has gone to work — to work in the cotton fields as well as everywhere else" 2i). Ongetwijfeld is de „Wirtschaftsgeist" in het latere Zuiden zeer van dien in het oude gaan verschillen, maar het is toch goed om te bedenken, dat ook vroeger weinigen zich een bestaan door leegloopen konden verwerven. Een niet arbeidzaam leven werd eigenlijk slechts door de groote planters en de poor whites geleid, niet door „den" Zuidelijken blanke in het algemeen. Wel schijnt het echter een feit te zyn, dat vele blanke boeren die vroeger te zeer de neiging hadden om het zware werk aan hun zwarte knechts over te laten, misschien door den veranderden tijdgeest, maar waarschh'nlük wel eer door de harde noodzaak gedwongen, met hun gezinsleden zelf de handen aan het werk sloegen. Een waarnemer merkte op: „Since the war native white labor is more general in the cotton culture, in the northern portions of the cotton States, where there are few negroes. The small proprietors have taken their coats off, and, with their children, taken hold of the plow and hoe most manfully, while their wives and daughters find employment in the cotton factories rapidly springing up in the section" 22). Mogelijk en waar-