is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of North Carolina Farmera. North Carolina Tenancy."Dommission, Raleigh, 1922. p. 27.

69) E. C. Branson and J. A. Dickey, „How Farm Tenants live in MidState Carolina", North Carolina Club Yearbook 1921—'22. Chapel Hill: University of North Carolina Press, 1922. to. 66.

70) Ibid. p. 76.

71) The Condition of Agriculture in the United States and Measurea for ita Improvement. New York: National Industrial Conferthce Board, Washington: Chamber of Commerce of the United States of America, 1927. p. 68.

72) Cijfers te vinden in het Yearbook of Agriculture, 1931. p. 1024.

73) The University of North Carolina Newsletter, Vol. XVIII, No. 5. (27 Jan. 1932).

74) O. E. Baker, A Graphic Summary of American Agriculture Based Largely on the Census. Unit. St. Dep. of Agric. Miscell. Publ. No. 105, 1931. pp. 100, 163, 171, 174, waar men stipkaarten kan vinden, die het opgemerkte duidelijk doen uitkomen. De gegeven cijfers berekenden wij uit de absolute cijfers per Staat, in de census van 1930. Wij vermelden deze bron in zulk verband niet meer. Onder de statengroepen Zuid, Noord en West verstaan wij dezelfde als die, welke de censns tegenwoordig onderscheidt. Sinds de komst van de boll weevil kan Florida niet meer onder de Katoen Staten gerekend worden. Deze laatste omvatten dus: N.C., S.C., Ga., Ala., Miss., Tenn., Ark., Lna., Tex., Okl.

75) L. F. Carr, America Challenged. New York: Macmillan, 1929. p. 176.

76) Herman Steen, Coöperative Marketing. Garden City, N.Y.: Doubleday, Page and Co., 1923. p. 81.

77) Volgens de 1930 census waren er in de Ver. St. 6.288.648 boerderijen: van deze waren er in de 10 Katoen Staten plus Florida 1.943.675 die katoen voortbrachten.

78) Page, a), p. 121.

79) Dat het Zuiden het armste en achterlijkste gedeelte der Unie is, blijkt overtuigend uit de tabellen in Charles Angoff and H. L. Mencken, „The Worst American State", The American Mercury, vol. XXIV, nos. 93, 94, 95. (Sept—Nov. 1931).

HOOFDSTUK X.

1) En ook bij tabak, waarvoor het over de katoen op te merken in vele opzichten in nog hooger mate geldt.

2) A. B. Cox, „New Cotton Area's for Old", The SouthweaUm Political and Social Science Quarterly, Vol. VIII, No. 1. (June 1927). p. 57; E. C. Case, „Readjustments in Post-War Cotton Culture", Economie Geography, Vol. V, No. £ (Oct. 1929). p. 337.

3) Volgens O. E. Baker, den besten authoriteit over deze onderwerpen; vgl. zü'n „Agricultural Regions of North America, Part, II, The South", Economie Geography, VoL III, No. 1. (Jan. 1927). p. 85.

4) Berekend uit gegevens voorkomende in het Yearb. of Agric. 1932. pp. 577, 608, 620, 658, 686, 753.

5) Voor een graphische voorstelling van den katoenprijs in de negentiende en twintigste eeuw zie: Yearb. of Agric. 1922. p. 389; ook de Cotton Atlas, p. 20.