is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. J. H. Halbertsma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Bijbel was voor de Modernen „het boek van (hun) godsdienst, hoog vereerd, maar kritisch te beschouwen en van onvoorwaardelijke autoriteit ontdaan."*) Dus niet de geïnspireerde bijzondere openbaring Gods en als zoodanig gezaghebbend voor leer en leven. Vrijheid wilden de Modernen, bovenal „vrijheid tegenover alle woord van den Bijbel."8) Gezaghebbend waren alleen de rede en het geweten.

Als in strijd zijnde met rede en wetenschap, konden wonderen niet aanvaard worden. Men verklaarde ze, óf als „volksoverleveringen, zooals men ze in de vroegste geschiedenis van iedere generatie aantreft," óf „als de phantastische inkleeding van „geheel natuurlijke" gebeurtenissen," óf als „de geschiedkundige bewerking van oorspronkelijke visioenen, zooals (men wist) dat bijwijlen aan uitstekend vrome Israëlieten ten deel vielen."a)

Ofschoon Jezus bij velen „het centrum hunner prediking" 4) bleef, was Hij niet meer de Verlosser, die door Zijn lijden en sterven den mensch den weg der zaligheid had gebaand. Men had hem „bevrijd van het bonte kleed der overlevering" en zoo, meende men, had men een zuiver beeld van den historischen Jezus overgehouden, zooals voornamelijk de eerste drie evangeliën hem doen kennen, ontdaan van „wat al te wonderbaarlijk en ongeloovig {sic!) scheen."6)

Aan een verlosser hadden de Modernen trouwens geen behoefte, want immers „de mensch is geenszins een gevallen wezen," „geenszins een geboren zondaar" en heeft in zichzelf alles wat noodig is om te komen tot zijn „eigen volmaking en godskennis."6) Deze onvolmaakte mensch heeft uit eigen kracht te streven „naar vooruitgang, naar

*) Roessingh, Het Mod. in Ned., bl. 115. s) ld, bl. 123.

3) ld, bl. 118.

4) ld, bl. 129.

5) ld, bl. 129.

6) Aangehaald bij Roessingh, De Mod. Theol. in Ned., bl. 190, 191.