is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. J. H. Halbertsma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertegenwoordigd werd in de werken van de gebroeders Von Schlegel, Franz Bopp, Wilhelm von Humboldt en Jacob Grimm.

Van overwegend belang voor de nieuwe taalwetenschap was de ontdekking van de verhouding, waarin het Sanskriet tot de voornaamste Europeesche talen stond. Op verwantschap met Grieksch en Latijn was reeds in 1767 gewezen door den Franschen Jezuïet Cceurdoux, maar toen werd er weinig aandacht aan geschonken. Eerst William Jones, die met groote beslistheid de verwantschap met Grieksch en Latijn uitsprak en die met Gotisch en Keltisch vermoedde, opende de oogen der Europeesche taalgeleerden voor het gewicht der Indische taal, die men nu met grooten ijver begon te bestudeeren.

Sedert men op die gedachten was gekomen, hadden zich vele vragen voorgedaan, die om oplossing vroegen. Men wist b.v. niet in hoeverre men het recht had een inniger samenhang aan te nemen tusschen woorden van verschillende talen, die in klank of begrip overeenstemden, en in hoeverre er van toevallige overeenkomst moest gesproken worden. Andere vragen waren: waarin moeten woorden gelijk zijn, wanneer men hun oorspronkelijke identiteit (Gleichheit) mag trachten te bewijzen, en: hoe onderscheidt men woorden, die verschillende talen gemeen hebben door ontleening, van die welke ze oorspronkelijk gemeen hebben? De studie van het Sanskriet werd een der voornaamste middelen om deze vragen op te lossen.

Een der eersten, die zich op deze studie toelegde, was Friedrich von Schlegel (1772—1829). De Romantische richting, waartoe hij behoorde, had zich, sedert Herder zijn verzameling volksliederen samenstelde, meer en meer het navorschen van de andere scheppingen van wat haar aanhangers den volksgeest noemden, tot taak gesteld. Onder invloed eener pantheïstische philosophie leerden ze! deze scheppingen, zooals: den staat, het recht, den godsdienst, de taal, zien als organismen, die zich naar vaste I