is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. J. H. Halbertsma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buitenland droeg echter deze goede vrucht, dat velen de oogen geopend werden voor de tekortkomingen der onze. Velen der jongeren waren als Jacob Geel ontevreden over den gang van zaken hier te lande en wenschten onze litteratuur in andere banen te leiden. „Wat die jongeren met Geel gemeen hadden, wat velen hunner tot hem trok, was behoefte aan ontplooiing der eigen persoonlijkheid; aan vrijheid van beweging, niet beperkt door overlevering en conventie; niet minder was dat hun afkeer van leege vormen en ongevoelde beeldspraak, hun liefde tot oorspronkelijkheid, tot het juiste, teekenachtige woord."x)

Hun werk, geleid eerst door de Muzen en dan door De Gids, die door strenge, maar opbouwende kritiek en door voorbeeld den juisten weg aanwezen, ontwikkelde zich tot een krachtige nationale Romantiek, die haar bezieling zocht in de Gouden Eeuw en die in het werk van Potgieter hare triomphen vierde.

De hooge verwachtingen, die men van deze jongeren had, werden echter slechts gedeeltelijk verwezenlijkt en omstreeks 1860 was onze letterkunde, ondanks het vele en goede werk van De Gids, wederom tot een zoo laag peil gezakt, dat Potgieter en Huet beiden wanhoopten, dat er ooit iets goeds van groeien zou.

Wanneer Halbertsma over de dichters van zijn tijd spreekt, bedoelt hij hoofdzakelijk die, welke optraden in de eerste decenniën der 19de eeuw; immers zijn oordeel over hen en hun werk vinden we voornamelijk in de Hulde aan Gysbert Japiks (1824, 1827) en in Het Geslacht der Van Harens (1829).

Had hij geen hooge gedachte van de meeste theologen en politici van zijn dagen, de dichters mochten zich evenmin in zijn waardeering verheugen. Hij verwijt hun gebrek aan inhoud, ledigheid van denkbeelden.

*) Kalff, VII, bl. 154.