is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederland en Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dingen van Belgische kunstenaars voor de permanente tentoonstelling van het Historisch Geselschap1.

Eenige maanden later wendt hij zich nog eens tot dezen, vraagt inlichtingen van allerlei aard, en vertelt dat hij een studie van Van Duyse over de ketterij in zijn tijdschrift heeft aangeprezen. „Dat is juist een werk voor deze provinciën, en daar zullen wel koopers gevonden worden"2.

De hier genoemde aankondiging van een Vlaamsen werk is er een onder de zéér vele, die in dit tijdschrift voorkomen. Berichten van allerlei aard over zaken Vlaanderen rakende, nemen zooveel plaats in, dat men wel haast van een Grootnederlandsche opzet kan gewagen. Alleen al wat uiterlijk en indeeling betreft wijkt het blad, dat tweemaal in de maand verscheen, geheel af van de in Nederland gebruikelijke vorm en vertoont gelijkenis met ongeveer gelijktijdig bestaande Vlaamsche tijdschriften, b.v. het Gentsche Kunst en Letterblad en De Eendragt. En merkwaardig-is de wijze waarop onder „Nederlanden" ook Vlaanderen wordt verstaan. Berichten uit De Middelaer, het tijdschrift van de Leuvensche Wmnnilr David, uit het Kunst- en Letterblad en andere Vlaamsche tijdschriften in grooten getale overgenomen, worden vermeld onder de rubriek „Binnenlandsche Tijdschriften" of „Nederland". Evenzoo worden bij aankondiging van historische werken, diegene die in België verschijnen, ook in het Fransch geschrevene, geplaatst onder het hoofd: „Nederlanden". Vele Vlaamsche boeken worden als lezenswaardig aanbevolen, en, waar er maar gelegenheid voor is, gewezen op de Vlaamsche strijd, en de eenheid van letterkundig Nederland verkondigd.

Bepaald Grootnederlandsch is de bespreking van een verhandeling van Mr. J. Dirks, opgenomen in de Frije Fries van 1841, en getiteld: Noord-Nederland en de Kruistogten, schetsen van het aandeel der Noord-Nederlanders, en in het bijzonder de Frieten aan de^elven, volgens berigten van ooggetuigen en tijdgenooten. „Waarom hier de Zuid-Nederlanders moesten achterblijven zien wij niet regt in; dit voert naar ons oordeel tot een verkeerde wijze van beschouwen, even zoo verkeerd als dat men een geschiedenis schreef onzer overzeesche bezittingen, ten dienste der Zeeuwen

116 Oct. 1841 (Hs. Kon. VI. Acad. Gent. Archief van Duyse No. 41). * 28 Jan. 1842. Bedoelde recensie Hist. Tijdschrift 1841, bl. 95.