is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dr. D. Bos zeide. met „groote ingenomenheid te hebben gezien, dat de Minister van het hooger en middelbaar onderwijs een andere omschrijving had gegeven „dan tot dusverre de heerschende was". En hij vervolgde: „Thorbecke rekende een inrichting als de Indische instelling onder het middelbaar onderwijs, omdat zij voorbereidde voor een bepaald beroep of een bepaalde betrekking. Deze Minister, (n.1. Minister Kuyper) heeft zich mijns inziens op een ruimer en hooger standpunt geplaatst en heeft meer gezien naar den aard van het onderwijs dan naar het beroep, dat de jongelieden zullen uitoefenen, hetgeen mij alleszins juist voorkomt"1).

Geheel overeenkomstig zijn beginselen ten opzichte van het hooger onderwijs projecteerde minister Kuyper in zijn wetsvoorstel ook een Handelshoogeschool en een Landbouwhoogeschool.

Nu de polytechnische school Technische Hoogeschool was geworden en de stichting eener Handelshoogeschool en van een Landbouwhoogeschool in uitzicht werd gesteld, kreeg het begrip middelbaar onderwijs een groote uitbreiding. Voor al deze vormen van hooger onderwijs gaf het middelbaar onderwijs nJ. een vooropleiding. Eerlang zouden de opleidingsmogelijkheden nog uitgebreid worden door de stichting der Veeartsenijkundige 'Hoogeschool en de Indologische facultaiten, terwijl de wetLimburg in 1917 aan het middelbaar onderwijs het promotierecht zou verleenen voor de geneeskundige en de wis- en natuurkundige faculteit.

De bekende Staatscommissie, ingesteld bij K. B. van 21 Mrt. 1903, S. 49 deed een poging om geheel nieuwe grondslagen voor het voortgezet onderwijs te leggen, grondslagen, die voor een belangrijk deel met die van Thorbecke's wet overeenkomen. Deze poging mislukte echter.

De voor het voortgezet onderwijs zeer belangrijke en principieele beslissing, die de Staten-Generaal door de aanvaarding der wet-Limburg namen, geschiedde niet op grond van theoretische overwegingen, doch op die van practische resultaten van het middelbaar onderwijs. Deze resultaten spraken te duidelijk, dan dat men ze over het hoofd zou kunnen zien.

In het begin der 20ste eeuw was de kracht van den reeds genoemden historisch-wetenschappelijken en van den socialen factor, die op het wetssysteem van Thorbecke van zoo grooten invloed waren geweest, sterk verminderd. Daarentegen sprak de onderwijskundige beteekenis van het middelbaar onderwijs,

i) Handelingen 2de Kamer 1903/04, p. 1452.