is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen verkeerde men ten opzichte van dezen term in denzelfden twijfel als over dien van middelbaar onderwijs na de Koninklijke Resolutie van 2 Aug. 1815 en vóór 1863. Deze twijfel zal blijven bestaan, tot een organieke wet hieraan een einde maakt1).

Doch al is de wettelijke beteekenis van den naam voorbereidend hooger onderwijs nog niet bepaald, deze beteekenis ligt door de onderwijsontwikkeling wel voor de hand. Vooral de stichting van een nieuwen onderwijsvorm, het lyceum, was hierop van invloed. Dit instituut werd in 1909 in Nederland door de oprichting van het Haagsche lyceum meer bekend. Het is een combinatie in één school van de klassieke gymnasiale opleiding met de natuurwetenschappelijke opleiding der hoogere burgerschool, terwijl de onderbouw dezer opleidingen dezelfde is.

Het ligt geheel voor de hand het onderwijs van het gymnasium en de klassieke afdeeling van het lyceum onder het wettelijk begrip voorbereidend hooger onderwijs te brengen, het ligt eveneens voor de hand ter vermijding van talrijke moeilijkheden het geheele lyceum wettelijk dan bij het voorbereidend hooger onderwijs in te deelen.

Daar er echter tusschen de natuurwetenschappelijke afdeeling van een lyceum en de hoogere burgerschool geen onderwijskundig verschil is, dient ook dit laatste instituut wettelijk tot het voorbereidend hooger onderwijs gerekend te worden. Omdat echter de leerlingen van de tweede afdeeling der lycea en vatt de hoogere burgerschool slechts voor de helft naar het hooger onderwijs overgaan, zal de legislatieve beteekenis van het begrip voorbereidend hooger onderwijs moeten zijn een onderwijs, dat de leerling in staat stelt hooger onderwijs in eenigerlei vorm te volgen. Aan het einddiploma der school dient dit recht dan wettelijk te worden toegekend.

Dat de legislatieve beteekenis van het begrip voorbereidend hooger onderwijs op deze wijze niet zou overeenstemmen met de taalkundige is geen groot bezwaar, zooals bij den naaim middelbaar onderwijs reeds is gebleken. De feitelijke beteekenis van dezen naam toch is een geheel andere dan de taalkundige.

In verschillende wetsontwerpen, die sedert 1920 werden ingediend, doch tot heden niet werden aangenomen, is het begrip voorbereidend hooger onderwijs in bovenbedoelden zin oogevat

*) De Nederlandsche onderwijswetgeving is niet gelukkig geweest met de nomenclatuur. De namen gymnasium, hoogere burgerschool en handelsschool geven geen van alle het onderwijs, dat op deze instituten wordt gegeven op juiste wflze weer. De namen lager, middelbaar en hooger onderwijs zijn evenmin gelukkig gekozen.