is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben,1) doch het is zeer de vraag, of deze gewoonten blijvend zijn en de gevaren van zulke opvoedingsmethoden zijn niet gering. Terecht waarschuwt Allers tegen strenge opvoedingsmaatregelen en de straffen, die hiermede gepaard gaan. Hg herinnert hierbij aan de oude, wijze woorden, die vooral in de Duitsche bijbelvertaling een paedagogische strekking hebben: nlhr Vater, seid nicht streng mit euren Söhnen, auf daB sie nicht den Mut verlieren." *)

De opvoeding dient een echo te vinden in het gemoedsleven van de opgevoeden en kan alleen dan vruchtbaar zijn. Zoo kan b.v. een opvoeding, die steunt op een religieus of aeslhetisch waardegebied voor de karaktervorming zeer constructief zijn, mits ze niet met strengheid en dwang ingaat tegen de neiging van het gemoedsleven. Is dit wel het geval, dan is de werking slechts destructief.

Men komt er, vooral tegenover niet al te wilskrachtigen, dus tegenover de meesten, zoo gemakkelijk toe. Met mooie woorden als: vroeg moeten de kinderen leeren gehoorzamen, wordt veel verkeerds bemanteld, de psychische levenskracht wordt ondergraven en er ontstaan, wat Dr. Allers noemt „seelische Krüppel". *) Zal uit de aangeboren individualiteit een karakter groeien, dan moet de jonge mensch geleidelijk een eenheid in zich zelf vinden. De opvoeder dient hierbij te steunen, doch voorzichtig en met groote wijsheid, met toegeeflijkheid in kleinigheden, zonder dat toch de vaste lijn in zijn opvoedingsmethode verbroken wordt Deze waarheid, die de moderne paedagogiek op den voorgrond stelt, werd ook reeds door Rousseau gepredikt Hij onderscheidt drie opvoedingskrachten, die op het individu inwerken, nl de ontwikkeling der innerlijke disposities, die hij ^'education de la nature" noemt, die, welke door de ervaringen wordt verkregen; de „l'éducation des ehoses" en de directe inwerking van den opvoeder „l'éducation des hommes."*). Op de eerste kan ook volgens hem de opvoeder geen invloed uitoefenen, op de tweede slechts weinig, slechts bij de derde kan zijn invloed belangrijk zijn. Daar de invloedssfeer van den opvoeder beperkt is, moet hij volgens Rousseau geluk hebben om te slagen.

*) Kerschensteiner, p. 5.

«) Vlg. ook Goethe. Wilhelm Meisters Lehrjahre, Leipzig 1910, p. 78. „man weisz nur zu hindern und abzulehnen; selten aber zu gebicten, zu befördern und zu belohnen. Man laszt alles in der Welt genen bis es schadlich wird; dann zürnt man und schlagt drein."

») Allers, p. 84. Kerschensteiner, p. 175.

•) J. J. Rousseau, Emile ou de l'éducation, Paris, 1848, p. 6 vlg.