is toegevoegd aan uw favorieten.

De bescherming van het zelfstandig kleinbedrijf in den detailhandel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groote steden met hun verkoophuizen trachten binnen te dringen.

De eerste soort draagt, wat zijn omvang en plaatsing betreft, min of meer het karakter van een warenhuis, maar blijft tot een enkele groep van artikelen beperkt. De tweede soort vestigt zich veelal ook in kleinere panden in de buitenwijken van de steden en op het platteland en heeft dus wat de huurkosten betreft geen ongunstiger verhouding als de zelfstandige winkelbedrijven. De eerste categorie van filiaalbedrijven zal zich uit zelfbehoud wel tot de groote centra moeten beperken en wanneer zij evenals de warenhuizen misschien in hun expansiedrang wel eens wat te ver zijn gegaan dan zullen zij, wijs geworden door de lessen van de economische depressie, met deze uitbreiding wel niet verder gaan. Bovendien ziet men dat soortgelijke filiaalbedrijven elkander in de groote centra wederom gaan beconcurreeren, waardoor het gevaar van een vestiging in kleinere plaatsen nog belangrijk wordt vergroot. Een rem op de uitbreiding zou hier dus op zijn plaats zijn, al zal het in het huidige stadium de betrokkenen wel weinig schaden.

Anders is het bij de tweede categorie van filiaalbedrijven. Deze moeten, omdat zij werken in goederen, die regelmatiger gekocht worden, den klant dichter bij huis opzoeken. Hun goederenvoorraad kan gemakkelijker gesplitst worden en hun kosten worden gedrukt, doordat zy zich in goedkoopere panden kunnen neerzetten.

De goederen, die hier verhandeld worden, zijn meer gestandariseerd. De deskundigheid, die van den zetbaas geëischt wordt is betrekkelijk gering. De salarissen en loonen, die betaald worden zijn dan ook naar verhouding vaak beperkt. Indien ingevolge de vestigingseischenwet ook van deze personen de normale deskundigheid zal worden geëischt, zal automatisch wel een kleine rem op de uitbreiding worden bereikt. De gestandariseerde verkoopmethode van deze filiaalbedrijven, ondersteund door de centrale reclame-actie, de centrale etalagedienst en dergelijke, maakt echter de werkzaamheden van leiders en verkoopers in deze bedrijven eenvoudig, zoodat met minder deskundigheid kan worden volstaan. Waarschijnlijk wordt ook in deze filiaalbedrijven de grens aangegeven door het bedrijfsoptimum, nu en dan overschreden. Een verdere uitbreiding zal ook hier in vele gevallen de algemeene onkosten zoodanig doen stijgen, dat de rentabiliteit erdoor vermindert. Ook hier zouden bedrijfseconomische overwegingen soms een verdere uitbreiding moeten tegenhouden. Anderzijds zit het meer in den aard van deze bedrijven, om overal nieuwe nederzet-