is toegevoegd aan uw favorieten.

De pastoor van Ars

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik ben slechts een arme onwetende, die het vee gehoed heeft. Wendt u tot St. Philomena". En zich zelf weer verradend : „ik heb haar nog nooit iets gevraagd zonder te verkriigeri". In het begin der bedevaart reeds was St. Philomena zijn trouwe helpster, maar toen vroeg hij dringend aan de menschen om geheimhouding van alles wat geleek op iets wonderlijks en hij zweeg over zijn geheimzinnige vriendin uit verre tijden. Nu kon hij over haar spreken en hij deed het bijna als over een geliefd kind, een trouwe vriendin uit vroeger jaren, met een delicate gemeenzaamheid, maar vooral met den gloed eener groote toewijding, alsof zij zijn zwoegend leven omzweefde met zachtheid van troost en versterking. Telkens weer sprak hij over haar in catechismus, in preek en op zijn gang over het plein tusschen de menigte, maar zweeg van de zelf ontvangen gunsten en dat zij hem verscheen in glorieerende schoonheid, als de nood ten top was gestegen. Hij sprak over de vele gaven, geestelijke en lichamelijke, van verlichting en genezing, die zijn „petite sainte" zoo mild uitdeelde, als hij de menschen naar haar kapel stuurde om te bidden en novenen te houden maar hij zeide weer niet hoe hij zelf ook meewerkte door gebed en versterving; hij noemde haar met vele vriendelijke namen als zijn „zaakgelastigde in den hemel" zijn „consul chez le bon Dieu".

Soms echter ontglipte hem meer dan hij zeggen wilde. Eens kwam er een jong meisje uit Ligny sur Meuse bij hem biechten, een braaf schepsel, dat niet veel op haar geweten had. „Ma petite", zei de pastoor, „ga liever bij den hulpgeestelijke, er zijn hier zoo velen, die meer haast hebben." — „Ik bid u, vader,