is toegevoegd aan uw favorieten.

Meditatiën over het leven en de mysteriën van Onzen Heer Jezus Christus, toegepast op het religieuze leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slissende ogenblik zal de Meester van de wijngaard ons tot zich roepen, om ons verantwoording over onze zorgen en onze arbeid te laten afleggen. Hij zal dan niet vragen, of wij veel natuurlijke begaafdheden, veel verstand en grote bekwaamheden gehad hebben, — of wij door de oefening van de liefdewerken roem behaald hebben bij de mensen, — zelfs niet, of wij in al onze pogingen zijn geslaagd en veel vruchten hebben voortgebracht. Maar Hij zal onderzoeken, of wij een goed gebruik gemaakt hebben van de gaven, die Hij ons verleend heeft. Hij zal nagaan, of wij in al wat wij gedaan hebben, enkel zijn glorie en het tijdelijk en geestelijk Welzijn der hulpbehoevenden beoogd hebben. Hij zal ons afvragen, of wij, om hierin te slagen, ons meer toegelegd hebben op het beoefenen van grondige deugden dan op het verkrijgen van menselijke wetenschappen. Ook zal Jezus ons de vraag stellen, of wij alles hebben aangewend, om aan de hulpbehoevenden, en vooral aan de kinderen een levendig geloof, de vreze Gods en de afschrik van de zonde in te prenten en hun harten met liefde voor godsdienst en deugd te vervullen. Eindelijk, of wij dit hebben trachten uit te werken door ons voorbeeld van zachtaardigheid, geduld en liefde en vooral door een gedurig gebed. Ziedaar, waarover onze verantwoording lopen zal. Is de uitspraak gunstig, o hoe groot zal dan onze beloning zijn! God zelf zal zich dan aan ons tot loon geven, niet meer zoals hier beneden, waar wij ternauwernood iets van zijn beminnelijkheden zien en waar wij, Hem bezittend, evenwel altijd in gevaar zijn, Hem te verliezen. Maar Hij zal zich aan ons geven door zich volmaakt te doen kennen. Hij zal ons met zijn zuiverste liefde vervullen en voor altijd in zijn liefde en zijn bezit bevestigen. Wat doen wij om zulk een groot geluk te verdienen? Laat ons toch niet uitstellen, om met de vurigste ijver te gaan arbeiden aan het werk van Hem, die ons geroepen heeft, uit vrees, dat de nacht komt, waarin niemand meer werken kan.