is toegevoegd aan uw favorieten.

Jeruzalem-Antiochië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teruggekeerd. Of hij opzettelijk teruggekomen was, om de gemoederen tot kalmte te brengen, weten wij niet, maar zeker is, dat hij beslist de leiding nam.

Bij de eerste samenkomst der geloovigen, verhaalden de beide predikers uit Antiochië, met hoeveel vrucht zij in Pisidië en Pamphilië hadden gewerkt. Ook voor hen, die reeds den zegenrijken uitslag van dien tocht vernomen hadden, was het een vreugde, de bijzonderheden te hooren, uit den mond van de mannen zelf, die hun leven voor de zaak van Christus veil hadden gehad. Het hart van de eenvoudige geloovigen voelde zich warm worden bij het hooren van de wonderbare werkingen der genade. Welk een arbeidsveld opende zich voor de Kerk van Christus! Zij betuigden, evenals hun broeders in Phenicië en Samaria, hun warmste sympathie met de ijverige Evangelie-verkondigers en hun prediking. Het bleek wel duidelijk, dat de Judaïzanten, die zich in Syrië op de Jeruzalemsche praktijk beroepen hadden, het recht misten, om in naam van de Jeruzalemsche kerk te spreken!

Er klonken echter ook stemmen van tegenspraak. Een aantal van de Farizeeën, die geloovig geworden waren, bracht protest uit tegen de verwaarloozing van de besnijdenis en de Mozaïsche voorschriften bij de Evangelie-prediking. Zij achtten dit een inbreuk op de heilige Wet Gods. Zelf verklaarden zij zich niet in staat, met de broeders uit de heidenen, die hun onreinheid nog niet door de besnijdenis hadden afgelegd, in nauwe betrekking te treden. In het bijzonder protesteerden zij tegen de deelname aan deze bijeenkomst van een heiden van geboorte en erkend onbesnedene, Titus van Antiochië, die onder de Joden-christenen had plaats genomen. Zij eischten de besnijdenis van dezen christen, als een voorbeeld voor hen, die uit de heidenen bekeerd waren.

Paulus weigerde beslist, op deze eischen in te gaan. Moest dan een gedoopte, die lidmaat van Christus geworden en door de genade geheiligd was, tot deze uiterlijkheden gedwongen worden, die zin en kracht verloren hadden? Zulk een dwang was in strijd met de waardigheid van het christelijk doopsel. De christelijke vrijheid was een gave, door Christus' dood gebracht — wie had het recht daaraan te raken? (Gal. 2, 3—5).

Scherp trad aldus het meeningsverschil naar voren, en de zaak, waarover de strijd liep, werd duidelijk aan de orde gesteld. De apostelen bepaalden toen een dag, waarop de overheden der kerk de kwestie uitvoerig zouden bespreken. Deze gewichtige zitting

15 JA