is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

orde. Maar het bedoelt volstrekt niet ons te leeren, dat de opgenoemde kategorieën van schepsels ook werkelijk in deze bepaalde volgorde ontstaan zijn. Wanneer volgens het Paradijsverhaal de dieren n a den Oermensch, doch vóór de Oervrouw geschapen worden, dan ligt daarin evenmin een werkelijke moeilijkheid als in het feit dat in datzelfde Paradijsverhaal, Gen. 2, 5—7, de Mensch geschapen wordt alvorens het plantenrijk ontstaat, terwijl toch het Scheppingsverhaal een omgekeerde volgorde aangeeft. Wij meenden dus het begin van 2, 19 gerust te mogen vertalen met: „daarop boetseerde Jahwe God", enz. en men zal moeten toegeven, dat dit in ieder geval wel de meest voor de hand liggende vertaling is voor den hebr. tekst zooals hij vóór ons ligt.

Wanneer men het Paradijsverhaal in alle bijzonderheden wil doen overeenstemmen met het Scheppingsverhaal, bevat 2, 19 nog een andere moeilijkheid. Namelijk „al wat door de lucht vliegt" (d.w.z. vogels, vlinders, vleermuizen, insecten enz. — onze taal bezit geen gelijkwaardigen verzamelterm voor het woord, dat de tekst hier gebruikt) wordt hier door Jahwe God, evenals de landdieren, geboetseerd uit den bouwgrond, terwijl het ontstaan van diezelfde kategorie van dieren toch in Gen. 1, 20 op geheel andere wijze beschreven wordt.

Dat Jahwe God de dieren voor den Oermensch brengt en deze aan die dieren namen geven moet, is van ouds — en, naar het ons voorkomt, terecht — uitgelegd als blijk van een zekere heerschappij over die dieren, die niet alleen in het Scheppingsverhaal maar ook in o n s verhaal den Mensch van Gods wege wordt toegekend. Men heeft, in verband met vs. 20 en vlgg., ook opgemerkt, dat de Mensch zich bij die gelegenheid kon overtuigen van een groot, onoverbrugbaar verschil, een werkelijk wezensverschil, dat er tusschen hemzelf en welk dier ook bestaat. En daarin bestaat het verband, waarin de episode der naamgeving aan de dieren staat tot die van de schepping der Vrouw. Wanneer de Mensch behoefte heeft aan een hulp die „een wedergade, als het ware van hemzelf" moet zijn, kan hij die in het dierenrijk niet vinden, ondanks het uitdrukkelijke vermelde feit dat mensch en dier uit dezelfde stof gevormd zijn, en ondanks het feit, dat zoowel mensch als dier „bezielde wezens" zijn. (In den traditioneelen hebr. tekst van 2, 19 staat voor de dieren precies dezelfde term, die 2, 7 van den Mensch gebruikt wordt).