is toegevoegd aan uw favorieten.

De zonde in den tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vraag van iemand, die inlichting wenscht over iets wat hem onbekend is, maar met een z.g. rhetorische vraag, zooals men die wel stelt om zijn verontwaardiging te uiten. De gegrondheid van deze opmerking blijkt in den tekst uit de keuze van de bepaalde vraagpartikel die hier gebruikt wordt. En ook het antwoord van Adam toont, dat hij zich geenszins verborgen had in de hoop zich daardoor aan het oog van Jahwe God te onttrekken, maar omdat hij zich uit schaamte niet durfde vertoonen. Hieraan hebben wij bij zijn antwoord, vs. 10, veeleer te denken, dan aan zijn lichamelijke naaktheid, die hem immers te voren geen beletsel was geweest in den omgang met Jahwe God, en die hij buitendien, zoo goed hij kon, reeds had bedekt.

Vs. 10: En deze antwooordde: Ik hoor Uw Stem in den Tuin, en ben ermede verlegen dat ik naakt ben: daarom heb ik me verscholen. Het werkwoord, dat wij vertalen „ik ben ermede verlegen", beteekent eigenlijk op de eerste plaats „vreezen". Maar niet steeds in den zin van „bang zijn". Het heeft ook dikwijls den zin van: eerbied of ontzag voor iets of iemand hebben, en uit ontzag voor iemand iets doen, of, vooral, iets laten. Aldus ook hier. De Mensch is zich bewust het verbod van Jahwe God te hebben overtreden, en deze overtreding heeft hem tot het bewustzijn van zijn naaktheid gebracht. Zoolang hij nog niet gezondigd had, was zijn naaktheid het uiterlijk merkteeken van zijn onschuld: hij bemerkte ze niet eens (3, 11) en zij gaf hem tot schaamte geen aanleiding (2, 25). Maar nu is hij er verlegen mede dat hij, zonder de elementaire kleeding die hij voor zichzelf reeds inderhaast vervaardigd heeft, voor God zou staan in een toestand van naaktheid. En daarom heeft hij zich verscholen. Men heeft in die woorden van den Oermensch dus méér te zien dan een simpele uitvlucht. Dit blijkt, zoowel in verband met 2, 25 en 3, 7, alsook in verband met de nu volgende woorden van Jahwe God.

Vs. 11: Maar Hij zeide: „Wie heeft u daarvan op de hoogte gebracht dat ge naakt zijt?" En komt dan — aldus stelt de verhaler het op menschelijke wijze voor — onmiddellijk tot de eenig mogelijke gevolgtrekking:

Hebt gij gegeten van den boom, waarvan Ik u het eten verboden had? Op te merken is, dat ook deze gevolgtrekking in vraagvorm wordt gegeven, terwijl toch de verhaler geenszins bedoelt uit te drukken, dat Jahwe God dit niet,