is toegevoegd aan uw favorieten.

Echtgenooten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijskoud tegen de zijne. Haar hoofd zakte zacht op zijn schouder, haar gezicht werd gloeiend, haar oogen keken groot en verwonderd. Tusschen hun lichamen lagen hun armen als twee wakende soldaten. Ze lagen een poos zwijgend, door het lichaam van Antonia liepen af en toe rillingen, toen begon ze regelmatig te beven.

„Je moet stil en rustig liggen, schat,” zei Zoltan.

Ze gaf geen antwoord. Haar krampachtige rillen hield langzamerhand op. Zoltan voelde, dat op zijn schouder warme druppels vielen ... Antonia huilde.

Hij beet zijn tanden op elkaar en sloot zijn oogen.

107

„Je mag wel binnen komen, Zoltan!”

Antonia stond in groot avondtoilet voor den spiegel.

„Psst, wat heb jij je mooi gemaakt! Waar wil je naar toe?”

„Vind je mijn japon mooi? Die is vandaag gekomen.”

„Prachtig. Maar als je het goed vindt, ga ik me dan ook verkleeden.”

Hij trok vlug zijn smoking aan, bood haar zijn arm en bracht haar, triomfantelijk glimlachend aan tafel in de eetkamer. Ze had een oranjekleurig avondtoilet aan, de juweelen broche, die ze van oom Paul Gorsky had geërfd, had ze opgestoken, aan haar schouder droeg ze een zachtgele theeroos. Zoltan keek verheerlijkt naar haar en zei met een gelukkigen glimlach, dat ze misschien nog nooit zoo mooi geweest was, als nu.

„Vind je me mooi? Beval ik je? Waarom?”

„Het is moeilijk te verklaren, waarom je iemand mooi vindt,” zei Zoltan. Maar ze het hem geen rust en drong op een antwoord aan. Ze bekende, dat ze zichzelf mooi vond, maai- 2e wilde perse weten, waarom Zoltan haar mooi vond. „Je bent net zoo knap als je in je meisjestijd was, aüeen is het meisjesachtige in je wonderbaarlijk vermengd met de pracht van de rijpere vrouw,” zei hij eindelijk.

„En vind je het prettig als ik knap ben?”

„Ja, natuurlijk.”

„Ik begrijp die dokters niet! Je moet tenslotte toch voelen of je ziek bent of niet. Toen ik me niet goed voelde, heb ik het gezegd, maar nu voel ik me al heelemaal beter ... en toch willen ze me wijsmaken dat ik ziek ben.”

Kchtgenooten 28*