is toegevoegd aan uw favorieten.

Zelf aan de camera

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIII.

HET MAKEN VAN AFDRUKKEN EN LANTAARNPLAATJES.

In het algemeen kan de vakfotograaf beter Uw afdrukken maken, daar hij over de nodige papiersoorten en routine beschikt om van onder- of overbelichte negatieven nog goede afdrukken te maken. Daarom zal ik niet uitvoerig over het afdrukken zijn.

Drukt ge zelf af, dan legt ge bij rood licht een filmnegatief in een afdrukraampje met de gelatinelaag naar boven (dus de glanzende kant tegen het glas) en legt nu een velletje gaslichtpapier met de emulsie tegen de emulsielaag van de film.

Nu belicht ge dat door het afdrukraampje op een 20 cm van een electr. lamp van 50 W een 10 sec. heen en weer te bewegen. Dan gaat ge ontwikkelen. (Zie hoofdstuk 5) Werkt ge met een normaal negatief en blijkt bij ’t ontwikkelen de af druk zwaar overbelicht of komt er na een minuut of 3 nog geen goed beeld, dan maakt ge de afdruk over en belicht langer of korter. Voor het normale negatief gebruiken we normaal papier. Onderbelichte en flauwe dunne negatieven eisen een hard werkend soort (contrastrijk) papier, overbelichte en harde negatieven hebben zacht papier nodig. Bij normale belichting verschijnt het beeld spoedig en geeft goede doortekening. Hebben we te lang belicht, dan krijgen we een geheel zwart beeld of een te donkere lucht. Bij te korte belichting krijgen we een flauwe grijze af druk.

Na het ontwikkelen de af druk even spoelen in water en dan fixeren. (Zie hoofdstuk 6) Bewaar Uw papier niet in de chemicaliënkast! Kom nooit met Uw vingers aan de gevoelige laag! Krijgt ge gele vlekken of geheel gele afdrukken, dan hebt ge niet voldoende gespoeld vóór en na het fixeren! Vlekken, vooral rode, ontstaan als de afdrukken op elkaar liggen in de baden!.

Oude baden geven ook vlekken, oud papier wordt geel, maar dat verdwijnt meestal na het fixeren! Men kent de volgende soorten: mat, halfmat en glanzend papier. Glanzend geeft fraaie afdrukken!