is toegevoegd aan uw favorieten.

Holberg en Holland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den Stundeslose, 1731. De Rusteloze, of de man, die geen tijd had. Ie opvoering 1726.

Den honette Ambition, 1731. De Rangzuchtige. Ie opvoering 1747.

Don Ranudo de Colibrados, 1745. Don Ranudo de Colibrados of Hovaardij in Armoede. Ie opvoering 1752.

Plutus, 1753. Plutus of het pleitgeschil tussen Armoede en Rijkdom. Ie opvoering 1751.

Huussp0gelset eller Abracadabra, 1753. Het Huisspook of Abracadabra. Ie opvoering 1752.

Den forvandlede Brudgom, 1753. De Herschepping des Bruidegoms. Ie opvoering 1882.

Philosophus udi egen Indbildning, 1754. Filosooph in eigen verbeelding of de gewaande Filosooph. Ie opvoering 1752. Republiken eller det gemene Bedste, 1754. De Republiek, of het gemenebest. Ie opvoering 1754.

Sganarels Rejse til det philosophiske Land, 1754. Sganarels Reis. Ie opvoering 1751.

Verder wordt er in de Duitse en Nederlandse vertalingen en in enkele Deense uitgaven een stuk gevonden, getiteld: „Artaxerxes”, 1754, een vertaling naar Metastasio; het is niet zeker, of deze van Holberg is.

Holbergs voorbeelden zijn allereerst de komedieschrijvers van de Oudheid, vooral Plautus, die hij boven Terentius stelt1), verder de Italiaanse Commedia dell’ arte, waarmee hij tijdens zijn verblijf te Rome in aanraking kwam, Molière en Regnard. Vooral Molière noemt hij dikwijls met veel waardering, 2) en herhaaldelijk is gewezen op de invloed, die deze Franse blijspelschrijver op Holbergs blijspelen zou hebben gehad. Legrelle noemt in zijn proefschrift3) Holberg zelfs „un imitateur de Molière”; ook door anderen is overeenkomst gekonstateerd, b.v. door Walch in zijn inleiding voor het eerste deel van B. A. Meulemans Nederlandse vertaling

1) Zie zijn derde Levensbrief, en Epistel 195. (Verz. v. Br. III, 12.)

2) Zie zijn Levensbrieven, zijn Moralske Tanker en Epistler (b.v. Ep. 190, Verz. v. Br. III, 7), en zijn inleiding op de blijspelen, getiteld: „Just Justesens Betaenkning over Comoedier” (1723).

3) A. Legrelle : Holberg consideré comme imitateur de Molière. Thèse. Paris, 1864.