is toegevoegd aan uw favorieten.

Holberg en Holland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hollandsch vertaalt hebben, maar de Vertaalder zelve heeft zulks niet durven ondernemen, want zegt hy in zyne Voorreden, het werk zou daar door zyn luister verhezen, en booven dien krygen de genen, die zulks ondernemen in het XXII. vertoog van het volgend Deel genen kleinen veeg uit de pan van den Schryver. Om dan dit Werk zyn’ luister niet te doen verliezen, en geen veeg uit de panne te krygen, hebbe wy het gelaten, als wy ’t vonden, en anders doende, zouden wy, om in den originalen styl te spreken, in Danger geweest zyn om van den originalen Deenschen Erasmus te devieeren, door ten faux pas te Glisseren, en facilement te Tombéren.” Over deze vrij hatelijke en onbillijke kritiek raakt de vertaler, die er zelf ook een steek onder water krijgt, in opwinding; hij verdedigt in zijn voorrede voor het tweede deel Holberg en zijn eigen vertaling, en vaart scherp en honend tegen den kritikus uit; hij verwijt dezen, dat hij in ’t geheel niet op de hoogte is van Holbergs werken en hun betekenis, en dat hij onkundig en geheel ongeschikt tot het schrijven van kritieken is. (Zie o.a. blz. 3.) De vertaler verdedigt Holberg en weerlegt de verschillende punten, naar aanleiding waarvan de kritikus dezen gehekeld heeft, verwijst wat de bastaardwoorden betreft, nogmaals naar het 22e vertoog van het tweede deel, dat hij inleidt, en eindigt met nog enkele schimpscheuten op den kritikus en zijn onkunde. De kritikus, opgehitst door deze voorrede, schrijft nu naar aanleiding van het tweede deel van de „Deensche Spectator”, uitgekomen in 1748 en aangekondigd in „Republyk der Geleerden” 1748, I, blz. 183, een heel scherp artikel in dit tijdschrift, 1748, II, blz. 129—139. Den vertaler valt hij op de volgende wijze aan (blz. 130): „In ’t algemeen schynt ons toe, dat de Vertaalder (wien wy echter onaangeroert hebben gelaten) in gramschap ontstoken zy, om dat wy dat zeldzame en verhevene in zyn’ Deenschen Patroon niet hebben kunnen vinden, ’t welk hy zich verbeeld dat ’er waarlyk in gevonden werd. De goede Man wil dan, dat wy als een slaaf van zyn gevoelen, den Noordschen Schryver tot de Wolken verheft, en onzen Republyk-Lezer zaken, van welker tegendeel wy in ons hart overtuigt waren, diets gemaakt en daar door te wege gebragt hadden, dat de Drukker, en veellicht ook de Vertaalder daar door meerderen aftrek, en meerder