is toegevoegd aan uw favorieten.

In dienst van de liefde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vier weken lang. Dan waagt ze het bij den Zeereerw. Heer Deken te vragen of er nog niets van Steyl gekomen is. „Neen nog niets." Hoe is het mogelijk? Ze had toch zo vast vertrouwd.

Weer bidden en wachten. Ze wil niet opnieuw naar den deken gaan. Kapelaan Julich echter stuurt haar. Dan hoort ze op de pastorie dat niet eens geschreven is ... Waartoe ook? Schrijven zou nutteloos zijn. Persoonlijk moet ze zich maar gaan voorstellen.

Nu aarzelt kapelaan Julich niet meer. Zelf schrijft hij naar Steyl. Spoedig is dan een antwoord terug. Rector Janssen noemt enkele kloosters op, waaraan Helena zich zou kunnen wenden. Tegelijk spoort hij haar aan een korte levensbeschrijving van haarzelf naar Steyl te sturen, misschien dat hij later iets voor haar kan doen. Het jonge meisje heeft er geen vermoeden van, hoe de laatste woorden waarheid zullen worden, maar ze vervullen haar toch met troost en blijdschap. In kinderlijk vertrouwen schetst ze voor Pater Arnoldus Janssen haar levensloop en voegt er moedig en bijna smekend aan toe: „Eerwaarde Vader, ik verzoek u zo dringend mogelijk, mij ter liefde Gods te helpen. Het is mij precies hetzelfde waar ik opname vind, zelfs al zou ik dadelijk naar China gezonden worden. Ik verlang alleen dat in het klooster, waar ik zal opgenomen worden, de goede religieuze geest heerst."

Op die openhartige brief ontvangt ze van Rector Janssen de uitnodiging, zich in Steyl voor te stellen. Met blijdschap zou ze dadelijk op dat verzoek zijn ingegaan, maar ze ziet er geen kans toe. Ze overlegt weer met haar biechtvader en schrijft daarna aan den Rector, dat ze op ’t ogenblik nog niet komen kan en vraagt raad wat ze nu doen zal. Omdat ze van kapelaan Julich gehoord heeft, dat Pater Janssen van plan is, zodra hij daarin Gods H. Wil erkent, een Congregatie voor Missiezusters te stichten, eindigt Helena de brief met de wens dat het werk ter ere Gods en voor het welzijn der zielen tot stand zal komen. Ze verzoekt hem in alle nederigheid, haar als zijn geestelijke dochter te willen aannemen. „Ik stel mij," zegt ze, „geheel en al ter Uwer beschikking en beloof U, alsook mijn biechtvader, stipte gehoorzaamheid in alles. Ook beloof ik, geen moeite te schromen en voor geen offer stil te staan en ben bereid met heel de liefde van mijn hart, mij te wijden aan het apostolaat."