is toegevoegd aan uw favorieten.

Ik, Claudius

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lezing zou houden, was propvol. Livia was er niet, evenmin als Augustus, maar mijn moeder was aanwezig en zo ook Germanicus zelf en Livilla.

Ik was goed gestemd en helemaal niet zenuwachtig. Germanicus had voorgesteld, dat ik tevoren een beker wijn als hartversterking zou drinken en ik had aan dien raad gevolg gegeven. Er was een stoel klaargezet voor Augustus, voor het geval dat hij zou komen en ook een voor Livia, allebei heel mooie stoelen, die altijd voor hen gereserveerd werden als zij onze woning bezochten. Toen iedereen aangekomen was en plaats had genomen, gingen de deuren dicht en ik begon mijn lezing. Alles ging prachtig. Ik wist, dat ik niet te vlug, te langzaam, te hard of te zacht las, maar juist goed, en dat mijn gehoor, dat niet veel van mij had verwacht, niettegenstaande dat geboeid raakte. Toen gebeurde er iets heel ongelukkigs. Er werd luid op de deur geklopt en toen niemand antwoord gaf, nog eens. Toen werd er druk aan de deurknop gerammeld en kwam de dikste man binnen, dien ik ooit in mijn leven heb gezien, gekleed in het gewaad van een ridder, met een groot geborduurd kussen in zijn hand. Ik hield op met lezen, omdat ik aan een moeilijke en belangrijke passage was gekomen en niemand luisterde. Aller ogen waren op den ridder gevestigd. Hij herkende Livius en groette hem met een lijmerig accent, dat ik later leerde kennen als dat van Padua, en vervolgens richtte hij een algemenen groet tot de rest van het gezelschap, wat heel wat gegichel veroorzaakte. Hij schonk geen bijzondere aandacht aan Germanicus als consul, aan mijn moeder of aan mijzelf als de gastvrouw en gastheer. Vervolgens keek hij rond naar een zetel en zag dien van Augustus, maar die scheen te smal voor hem, dus ging hij op Livia’s stoel zitten. Hij legde zijn kussen er op, nam zijn toga tot zijn knieën op en ging met een soort gebrom zitten. En natuurlijk stortte de stoel, die oud was, deel had uitgemaakt van den buit uit Cleopatra’s paleis en zeer fijn uitgevoerd was, krakend in elkaar.

Iedereen behalve Germanicus, Livius, mijn moeder en de ernstige leden van het gehoor lachte luidkeels, maar toen de ridder brommend en vloekend was opgestaan en zich had gewreven, werd hij door een vrijgelatene uit het vertrek geleid. Er was weer een belangstellende aandacht en ik probeerde verder te gaan. Maar ik had een hysterische lachbui. Misschien kwam het door den wijn dien ik