is toegevoegd aan uw favorieten.

De cyclus van de vrouw in verband met het huwelijksleven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ENDOCRINE SYSTEEM GEDURENDE DE ZWANGERSCHAP

bewijzen het echter onomstootelijk. Daar na de bevruchting van een ei verder geen ovulaties meer plaats vinden, en het baarmoederslijmvlies van het zwangerschaps gele lichaam voldoende hormonen ontvangt, blijft ook de menstruatie uit. Daar nu ovulatie en menstruatie ontbreken, komen in het cyclogram tijdens de zwangerschap ook geen inzinkingen voor. De dagelijks opgenomen getallen worden constant.

Na dit te hebben vastgesteld volgt de vraag: waarom rijpen en barsten na de bevruchting van een ei in de eierstokken verder geen Graafsche follikels? Het natuurlijke antwoord hierop is, dat een ovulatie in den tijd, dat de vrucht de holte van de baarmoeder opvult, doelloos en daarom tegennatuurlijk zou zijn. De in dien tijd vrijgekomen eieren zouden niet bevrucht kunnen worden en een bevruchting zou geen zin hebben. Het blijkt bovendien, dat dit ophouden van de ovulaties hormonaal wordt geregeld.

Door de sterke luteohormoonvorming in het zwangerschaps gele lichaam wordt de folliculine-productie onderdrukt. Nadat was aangetoond, dat de luteohormoon-vorming in het zwangerschaps gele lichaam niet zooals bij het corpus luteum menstruale van de hypophyse uit, maar door het choriaalhormoon aangezet wordt, was de eerste stap gedaan tot de conclusie, dat gedurende de zwangerschap de productie van de hypophysaire gonadotrope hormonen en de folliculinevorming op de placenta overgaat. Ofschoon wij echter tot de gevolgtrekking kwamen, dat gedurende de zwangerschap in de eierstokken geen verdere folliculine en in de hypophyse geen of weinig gonadotroop hormoon wordt gevormd, vindt men in urine en serum van de zwangere vrouw groote hoeveelheden folliculine en gonadotrope hormonen.

Waar worden deze hormonen gevormd? Ze komen evenals het luteiniseerende choriaalhormoon uit de placenta, resp. decidua.

Halban heeft reeds in 1905 voor het eerst gezegd, dat de placenta beschouwd moet worden als een klier der inwendige secretie. Door het luteiniseerende choriaalhormoon en het sterk toegenomen luteohormoon van het corpus luteum gravidarum worden het hypophysaire gonadotrope hormoon en de ovarieele folliculine-vorming geremd. M.a.w. het choriaalhormoon en het luteohormoon onderdrukken gedurende de eerste maanden van een zwangerschap de productie van de gonadotrope hormonen van de adenohypophyse en de folliculinevorming in de ovariën. Daardoor rijpen en barsten geen nieuwe follikels. Deze gevolgtrekking is van groote beteekenis voor het begrijpen van de samenwerking van de zwangerschapshormonen en de verhouding tusschen placenta, hypophyse en ovariën. De AscHHEiM-ZoNDEKsche reactie is daarom geen hypophysaire maar een placentaire proef.

Men kan aannemen, dat ook gedurende de zwangerschap hypophyse en ovariën de productie van hun gonadotrope hormonen niet geheel stopzetten. Ze is echter minimaal en bijna van geen beteekenis, zooals nog beschreven wordt.

Het kan als bewezen beschouwd worden, dat de stijgende productie van