is toegevoegd aan je favorieten.

De drie dwazen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

seeren, uit de nalatenschap van een ouden heer, zijn vriend en beschermer. Op een ongewoon overtuigende wijs, en met vele brieven en documenten, had hij aangetoond, dat hij van ouden adel stamde, een schatrijken broer had te Leiden, en het was hem op geraffineerde manier gelukt links en rechts geldsommetj es te leenen van het personeel. Hij had als muzikant de reis meegemaakt, en op de terugreis zou hij alles terugbetalen, nadat hij te New-York een zekere mevrouw de weduwe Huiberts ontmoet had. Niet alleen, dat hij het geleende geld met interest zou restitueeren, neen, zoodra ze te Rotterdam aan wal kwamen, zou er een fuif zonder weerga gegeven worden. Niet onmogelijk zelfs, dat het geld, wat hij van hen leende, de oorzaak kon worden van zijn fortuin en dat hij met genoemde weduwe Huiberts getrouwd en wel uit New York aan boord zou terugkeeren. Niemand echter zou er in dat geval over mogen reppen, dat hij de heenreis als muzikant gemaakt had. Een plaatsvervanger zou gauw genoeg door hem in New York, waar hij zeer bekend was, gevonden worden. - De kerel was met het geleende geld, honderd gulden ongeveer, NewYork ingetrokken. Toen na vier dagen de boot weer gereed lag voor de terugreis naar het vaderland, vroegen de geïntresseerden inzake den huwelij kscandidaat en toekomstigen rijkaard, den kapitein, nog even geuld te willen hebben met het vertrek; ieder oogenblik kon men een buiten adem zijnde reiziger, den musicus de Knijf, zien aansnellen op de landingsbrug, met een rijke weduwe aan zijn arm. Waarschijnlijk had hij zich door al die huwelijksceremonieën en geldaffaires verlaat. Edoch, na tien minuten wachtens was nog niets van den gelukkigen rijkaard bespeurd noch vernomen geworden en de kapitein gaf last om af te zetten. Toen daarop iemand bemerkte, dat geen bootmuzikant de stommiteit kon begaan te deserteeren, wijl, volgens contract, het tractement eerst bij terugkomst te Rotterdam kon uitbetaald worden, begonnen minstens twintig lui zich bij den kapitein te beklagen, dat