is toegevoegd aan je favorieten.

Doolhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allen bediend zijn, zit zij rustig en gelukkig met de twee meisjes op schoot, hun zwarte kopjes tegen haar schouder. Berta, hun moeder, een klein, egaal door de zon verbrand vrouwtje met glad, glimmend haar en groote, in dat gezicht wonderlijk lichte oogen, zit naast haar vader en luistert glimlachend naar zijn opgewonden betoog. Onderwijl kijkt zij met welgevallen naar haar eigen bloote armen en beenen, die ook waarlijk zeldzaam harmonisch gevormd zijn.

René Lucas is lang, mager, met een martiaal snorretje in een baksteenrood gezicht. Zijn kleine, felblauwe oogen schijnen alles op te merken en kennen geen rust. Met zijn welgevormde hand waaraan alleen een antieke ring met een groote roode steen fonkelt (trouwringen vinden Teresa en hij beiden even onnoozel) maakt hij sprekende gebaren.

„Dus je gaat weer op reis, vader," zegt Berta, „Benito vraagt of je een van zijn nieuwe wagens in wilt rijden."

„Best, dat wil ik wel doen. Maar dan ga ik er mee van door, naar Parijs. Zeg hem dat maar."

Hij lacht uitbundig; grijpt in het voorbijgaan een van de kleine meisjes beet en dwingt haar met zijn ijzeren greep op zijn knieën. Het kind schreeuwt en wringt zich vergeefs. Berta geeft haar een tik.

„Onopgevoede monsters," knort zij, „de juffrouw leert ze ook geen manieren."

„Dat moest je zelf doen," zegt haar vader.

Maar daarvoor heeft Berta geen tijd. Benito eischt