is toegevoegd aan je favorieten.

Doolhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en samen een herdersuurtje te kunnen beleven?" denkt Peggy wantrouwend.

„O, als je er geen zin in hebt, doe 't dan volstrekt niet, lieve Peggy," voorkomt Anita haar misnoegen. „Wij moeten vanmiddag alle drie tevreden en gelukkig zijn."

„Gelukkig!" Peggy verwerpt dat woord. „Bent ü gelukkig, mevrouw?"

„Wil je mij geen Anita noemen?" De stem klinkt wat donker nu; „maar dat komt later, hoop ik. — Gelukkig? Ik heb veel momenten dat ik mij gelukkig voel; laten we 't liever zóó zeggen. Meer mag een mensch ook niet verlangen. O, als je jong bent, dan spreek je van „het geluk" — alsof 't zóó maar, en bloc, was te vangen!"

„Misschien is 't daarom, dat jonge menschen meestal niet gelukkig zijn," valt Hugo in. „Jeugd is misschien 't moeilijkste gedeelte van ons bestaan. Juist omdat je alles wilt, alles hoopt; je wilt het allerhoogste en allermooiste afdwingen van 't leven. En soms slaag je wel!" Verliefd en verrukt kijkt hij haar aan.

„Jij leeft in een droom," zegt zij zacht. Maar Peggy heeft haar verstaan.

Opeens is Anita haar sympathiek. Zij neemt een bloem uit de vaas voor haar en bekijkt die aandachtig. Het is een trillend-têere anemoon, van vurig rood overtogen. „Zóó is de liefde, denkt zij; teeder en vurig; en vergankelijk als een bloem? Zullen volgend jaar al, deze twee menschen als onverschilligen uit