is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit huis en hof verdreven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i

grastapijt tegen den donkerblauwen horizon verlevendigde het wit der jongbeesten de rest van de zwarte huid. Dan eens liepen allen in een lange rij met wuivende staarten de weide rond, dan weer waren ze tegen elkaar aan het stooten en stoeien en probeerden uit te vinden wie van hen de sterkste was.

De toeschouwers, over het hek geleund, begonnen te raden welke der dieren de baas zou worden. Een klein plat beestje ,donker van kleur, waar aan niemand gedacht had begon zich te meten tegen een groot lichtbont dier, dat al menig ander had overwonnen. En ook de groote moest het afleggen tegen het zwartje. Lang stonden ze met stijve koppen tegen elkaar, de pooten vast op den bodem geplaatst. Geen wilde wijken. Toen zag men trillingen komen ln de leden van het grootere dier. Het moest terug, totdat het ten slotte op de vlucht sloeg voor den tegenstander, die nog trachtte de horens in zijn zijde te boren. Andere probeerden het ook nog tegen het zwarte beestje, doch moesten zich eveneens gewonnen geven. Het zwartje was allen de baas.

„Dat had ik toch stellig niet gedacht", zei Kool.

„Ik ook niet", riep Koos.

„Neen, dat had ik er ook niet in gezien, maar dat zwartje was op stal ook altijd even vinnig", zei Sloters. „Kom aan, laten wij nu de stallen maar eens leeg halen Ze zullen er zeker niet weer op komen, hoop ik."

Terwijl de mannen zich weer naar de schuur begaven, kwam Harm hen tegemoet.

',WeJ; fHarm' jon^en je bent ook niet laat opgestaan», riep Sloters op de begroeting van zijn zoon.

„Nou, om het weer behoef je ook niet in het bed te blijven .wel?", vroeg Harm, ondertusschen ieder de hand drukkende.

„Kom, loop jij dan maar mee naar de kamer. Ik zal dan koffie laten zetten. Of ben je al bij moeder geweest?", vroeg Sloters aan zijn zoon.

„Neen, ik heb moeder niet gezien. Ik ben wel even in de kamer geweest, maar daar was niemand."

„Dan zal ze wellicht nog te bed liggen. Ja, ze is de oude nog lang niet weer. Als ze het maar ooit weer wordt, Harm" ïiei Sloters met een zucht.