is toegevoegd aan je favorieten.

Uit huis en hof verdreven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sloters begreep het en wist dat de zaak hierdoor niet gemakkelijker werd.

„O, dat hebt u mij nog nooit gezegd", zei Harm, die nu ook 'beter begreep, waarom Reinders zoo sterk op zijn geld stond.

„Ja, de crisis weet wat tegenwoordig", zei Veld. „Kan de een zich nog ctaande houden, dan sleept de andere hem nog in zijn val."

„Ze-r zeker ", zei Reinders heftig. „Willen jullie wel felooven, dat ik er nooit over gedacht heb ,det, ik al zoo spoedig, na zoo'n paar jaren, op zwart zaad zou zitten?"

Sloters dacht: „Hij is net als ik. Ik kon het voor mij ook niet gelooven en de buitenstaander wil het nog niet van ma weten. En zit ik er veel beter voor dan Reinders? 't Is allemaal precies hetzelfde."

Reinders ging voort: „Zoo'n jaar of vijf geleden, toen ik van de boerderij afstapte, omdat ik van een rustigen ouden dag genieten wilde en geen jongens heb, die mijn bedrijf later kunnen overnemen,da cht ik er nooit over, dat ik mijn levensavond niet in ongestoorde rust zou kunnen slijten. Onmiddellijke geldverlegenheid, dat kende ik ook niet. Toen Harm voor een paar jaar terug de huur niet op tijd bij elkaar kon krijgen, heb ik hem gezegd, dat hij zich daarover niet bezorgd behoefde te maken, dat hij dan maar wat later zou betalen."

Hij hield even op en keek beurtelings naar de mannen.

„Zoo durfde ik ook gerust borg zijn voor mijn zwager, die diep in de schuld zat bij de banken met rekening-couant-crediet. Onmatig hooge rente natuurlijk en tenslotte aanmaning op aanmaning, om den achterstand wat aan te zuiveren. Ik heb hem toen een borgtocht van f 7000 verstrekt voor een crediethypotheek, zoodat hij goedkooper aan bedrijfsgeld kon komen. De arme kerel is nu heelemaal kapot. Hij begon met allerlei andere dingen, bloembollen en zulk spul, en vloog daarbij nog harder achteruit. Dezen winter ging zijn bedrijf onder den hamer; zijn spullen brachten niets op, want er is geen liefhebberij en geen geld meer, zoodat de f 7000 voor mij over bleven om aan te zuiveren."

Reinders streek zich met zijn zakdoek over het gelaat en vervolgde dan: „Ik heb wel een mooie boederij, die nog ruim haar waarde heeft, doch ook ik heb mijn land niet onbezwaard. Veronderstellen we, dat het nu nog zoo'n zestigdui-