is toegevoegd aan uw favorieten.

Sigarenfabriek José Alvarez

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minder verdiende, moest hij vanzelf met minder zakgeld genoegen nemen. Daar hielp niets aan.

Plantijn schoot uit het zijvertrek naar voren:

— Nou vraag ik jullie voor 't laatst, is 't nou uit met dat afgedonderdsche gewrijf?! en er trilde iets in zijn donderende deunstem als een nabibberende niet strak genoeg gespannen snaar bij een cello.

Natuurlijk was het Hubers die reageerde.

— Meneer Plantijn, het binnengoed is te gort-droog, het laat zich zoo niet verwerken; als je het niet een beetje fijnwrijft puilen die harde Kedoe-steeltjes uit het omblad, kijk u maar. En om zijn woorden meer kracht bij te zetten stond hij op om Plantijn een groote hand Java-binnengoed te laten zien.

— Daar heb je hem weer, antwoordde Plantijn bits, die den duvel in kreeg, maar Hubers' formidabele kracht toch heimelijk vreesde. Hij kon Hubers niet zetten, maar om bovengenoemde redenen maskeerde hij dit zooveel als in zijn vermogen was.

Plantijn's gelaat werd nog geler en smaller dan anders. Zijn oogen puilden wat uit, zijn wangen hol: een doodskop met een baard.

— Of je nu zoo'n paar stukjes Kedoe eruit zoekt, daar kun je mij niet mee verneuken, het Vorstenlandenomblad is stevig genog dat het daar gerust in kan.

— Ja prachtig is het, over mijn einde, schreeuwde Karreman ruw door de zaal.

Plantijn kende ze door en door en was niet licht uit het veld te slaan.