is toegevoegd aan uw favorieten.

Nachtvorst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de houding van hartelijken jovialen ouderen vriend maar weer opvatte, als was er geen gesprek geweest in den nacht. Arthur liet het zich zwijgend welgevallen, hij voelde zich te ziek om te vechten. Alleen wou hij den ander niet toonen, hoe ellendig hij er aan toe was. Hij wilde zeker niet op van West steunen. Daarom liep hij in een tempo, dat ze onmogelijk zouden kunnen volhouden, het pad vooruit. Na de eerste vijf minuten, die hij liep met opeengeklemde tanden en met een gewaarwording alsof hij er elk oogenblik bij neer zou vallen, ging het wat beter. Het was alsof hij de mechaniek van het loopen in werking had gesteld en dat die, zonder dat hij er zelf mee te maken had, aan den gang bleef. Hijzelf scheen nog ergens te liggen in een gonzend gebied, terwijl koude rillingen hem langs den rug stroomden. Zijn eenige angst gold de rivier. Hij meende, dat hij die breede steenrivier met zijn voeten, die nog steeds pijn deden, niet over zou kunnen. Doch nadat hij de wegwending had bereikt brak de zon door, een nog niet heete zon, die weldadig aanvoelde. Zeldzaam licht en veerend sprong hij van grooten steen naar steen, zoodat ze, voordat hij het vermoedde, de rivier bereikt hadden. In het ochtendlicht leek de morene anders dan hij haar in de herinnering had. Hoewel hij met zijn verstand zeer goed wist, dat dit het weggedeelte was, waar hij zoo tegen op had gezien, kon hij deze reëele uitgestrektheid van steen, waarvan het kwarts schitterde als dauw in de zon, niet identificeeren met die gruwelijke rivier, die hem tot in den droom achtervolgd had. En terwijl hij nog suffig zwalkte tusschen de reëele herkenning en zijn onredelijke angst, had hij den anderen oever reeds bereikt. Hij holde zoo vlug, dat van West, die toch veel grooter was dan hij, moeite had om mee te komen. „Hela, hela, kalm een beetje,