is toegevoegd aan uw favorieten.

Nachtvorst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den krantenjongen voor zich bij den trein, hij dacht aan de advertentie, die hem zooeven was opgevallen, aan een sollicitatiebrief, dien hij gisteren geschreven had. Maar langzaam werden die herinneringen trager, flauwer en hielden op. Het was alsof de actueele feiten van zijn leven, na door een wervelwind te zijn opgekolkt, nu definitief waren neergestreken en een wijde, zachte rust niet meer belemmerden.

Zijn moeders handen lagen met de palmen naar boven op het laken. Ze waren hulpeloos en smal, die handen, teeder als van een kind. Een poos zat hij intens te kijken naar die fijne ranke handjes. Zijn heele wezen smolt bij de aanschouwing van dat onuitsprekelijk lieve, dit aandachtig overgegevene dier kleine handen. Arthur ondervond geen spoor van verdriet. Integendeel, na velerlei roezige drukke corvées, na jachtige opwinding was hij tot een vertrouwde dierbare stilte weergekeerd. Het was enkel maar heerlijk om hier te zitten, alleen, in dit schemerduister en naar die handjes te kijken. Iets streelend innigs vervulde hem zoetjes aan.

Er waren vele kleine insecten, zoemend boven het bed en een klein groen kevertje met glinsterende vleugels kroop over de marmeren plaat van het nachtkastje. Arthur knipte het weg, wel wetend hoe bang zijn moeder altijd voor insecten was geweest. Dan meende hij te begrijpen, wat die open liggende handen te beteekenen hadden. Hij legde zijn hand in de hare en voelde iets koud vochtigs. Maar inplaats dat hij kracht en steun verleende aan die kleine open machtelooze hand zijner moeder bespeurde hij heel duidelijk, dat van die koele teedere vingers iets troostends naar hem toevloeide. Hij was de ontvangende.

Weer zag hij een rillend flitsen over het gezicht zijner