is toegevoegd aan je favorieten.

De wilde schuit

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voordat het eerste land bereikt is. Het leven aan boord: een klok. De eenige afleiding voor den koksmaat: eiken avond de lichtende sterren. Een heerlijk spel, denkt hij, die vonkjes in de duisternis.

s Ochtends op het voordek ligt Dolf Versluys geknield voor het eerste luik, waar hij het roest moet afslaan. Het voorste puntje van het luik moet hij onder handen nemen. Jagers, de boots, heeft het hem even voorgedaan: - Zoo, en nu zal je het wel kennen. Er is niet veel aan. Jawel, denkt de koksmaat-af, dat zeg jij, omdat je het je heele leven gedaan hebt. Opgewekt neemt Versluys toch hamer en beitel op en slaat er lustig op los. De zee is nu vlak bij hem. Ze is bijna glad. Nu en dan gaat er een rilling door het water. Dan: groote rimpels van West naar Oost. Versluys is in zijn element. Overal ruimte om zich heen. Jammer dat hij steeds naar dat oude roest moet kijken en opletten waar hij slaat. Het gaat niet zoo gemakkelijk als de bootsman dacht. Ongewoonte, denkt moedige Versluys.

De Wijkerhaven is nu een rustige vogel die door de zeeruimte vliegt. Het schip lijkt sinds onheuglijke tijden deze vaart te hebben gehad. Tien knoopen per uur. Iedereen is tevreden. De kapitein, dat alles glad gaat. De matroos achter het roer, dat hij de boot gemakkelijk in de goede koers houdt. De stokers, dat de vuren regelmatig blijven branden en zij zich niet meer dan anders behoeven in te spannen om ze op het vereischte peil te houden. Ook de kok is tevreden, want de dekjongen, die in plaats van Versluys achter de aardappelenbak zit,