is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere mooie liedje van Prinselie: „Daar stak op nen morgend, een jong maseurken, Zijn kapke door een spleetje van 't kloosterdeurken." „Hoort zij mij?", denkt hij en overal in hem klopt het harder. Als hij aan de vreemde woorden toe is, dan krijgt hij een plechtig gevoel, ook al fluit hij die woorden enkel maar. ,^antemus Dominum. Can-te-mus Do- - - mi-num." Onder de laatste iep fluit hij het nog een keer, hij fluit het zoo hard mogelijk: „Het kropte in zijn keelke van groote nood, En 't krijschte zijn oogjes zoo rood — zoo rood! Ach bleeke kloosterblom. Cantemus Dominum."

Hij kruipt ook nog op zijn buik achter een struikenhaag langs, hij ligt plat voorover achter een stuk hoog opgeschoten blauw-groen grasland, recht tegenover het kleine grijze huisje van Aaike en hij ziet haar! Hij ziet er alles. De ramen zijn opgeschoven en de deuren staan open en alle kinderen zijn buiten. Aaike zit op een hooge stoepsteen met een mand op haar schoot, en een emmertje naast haar, ze zal erten afristen of boonen breken. Haar gele haar schittert in de zon of het koolzaad is. Maar haar Moeder zit op de drempel, niet ver van haar af en praat hard en verbiedt hard en stampt hard met haar dikke voeten op de stoep. En ze heeft een gezicht als een pekelharing. Met zijn kin op de aarde neuriet en fluit Gabe weer van „Cantemus Dominum. Can-te-mus Do- - -mi-num." En hij ziet dat Aaike spiedend rondkijkt. En hij fluit het ook wat harder: Cantemus Dominum. En hij denkt nog: „Beteekent het dat de lieve God goed is?" Maar Aaike die buigt haar hoofd dieper over die mand met groen. „Mag ze niet meer kijken?"