is toegevoegd aan uw favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bar mooi. Je hebt er weiland als roomboter zoo geel en bergen en bosschen en groote steden en — en van alles. Ik wil — ik wil de wereld zien, Aaike." Aaike knikt. Aaike knikt altijd weer. „Gaan we dan voor school of er na?" „Er vóór", bedisselt Gabe, „dan kennen we al een heel end uit de mikken wezen, eer ze ons missen." „En waar zien we mekaar dan?", vraagt Aaike weer. Daar moet hij eerst nog 's over denken. „Bij Nienber de aptheker?, nee, dan zien ze ons misschien. Achter de grutterij van Yan Beinum?, nee, dat is een omweg." Hij weet het al. „Buiten de Goedemanspoort, maar niet vlak an de weg. Verstop je maar achter de struiken, tot ik kom." Aaike kijkt of ze op school zit en een sommetje uitrekent. „En dan moeten we ook nog wat geld hebben." Daar weet hij ook wel raad op. „Me spaarpot." Maar ze heeft al weer wat anders. „En dan moeten we ook netjes wezen, Gabe, ben jij pas verschoond? Moet je je voeten nog wasschen? Als me Vader naar me Oom Gierst in Greinen moet, dan wascht hij eerst zijn voeten." Gabe krijgt het een beetje benauwd. „Ik ben brandschoon, Aaike, en pieten heb ik niet." Ze haalt toch de stofkam. Ze kamt toch zijn hoofd maar af. Het doet hem zeer. Maar dat mag ze niet merken, dat merkt ze ook niet. „Nee", zegt ze, „er is nog niks, het is goed." Drie-vier keer wil ze wat zeggen, en ze kucht enkel maar. Gabe heeft er best erg in. „Wat is er?", vraagt Gabe. Ze gaat dicht bij hem staan. „Dan moet je nou weg — voor — thuis, bij je thuis." En dan is het opeens weer zoo stil. „Ja", zegt Gabe. En het is weer zoo stil. Aaike maakt zijn trui vast van boven. „Doe je zakdoek om je hals en loop hard, en kijk eerst