is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krinkelde rond de strak gelende spelende ranken. En honderden bellen rond en zwaar, Hingen er aan te blanken." Alle verzen kennen ze er van. Ze doen er hun best op. Ze zingen het twee-stemmig. „Hè-hè", zeggen ze, als het uit is. Ze grinniken en zuchten er van. En ze houen nog altijd elkanders hand vast. Maar Gabe, die kijkt veel meer dan eerst naar de zon op. „Mijn Oom Idzeida zei toch dat het vier uur was. En nou ben we pas hier." Aaike geeft er niet om. „Het mag ook wel zes uur duren." Dan begint er ergens in de verte, achter de schemer en achter de lucht en achter de akkers een klok te luiden. Het is twaalf uur. En ze denken ergens over. En ze worden stiller. En het is of ze hun voeten zwaar moeten neerzetten op de dennenaalden, die maken dan een droog krakerig geluidje, net of ze zuchten.

Ze staan bij de Hunteler beek. De beek kuiert bedaard tusschen de hooge bermen door, over platte rosgroene keiblokken en suizelt als wind en is zoo helder als glas. Gabe moet er toch nog even zijn handen in steken. „Lekker koud." En al wat er op de bodem ligt is te zien: een groen diertje, rooie zaadbessen, een witte kei. En Aaike wil haar schoenen al losmaken. „Gaan we er dan in — met onze beenen?" Gabe kijkt nog 's om naar de zon, hij draait zijn hoofd vlug naar de zon toe — die staat al weer een stukje lager — hij draait zijn hoofd langzaam naar Aaike toe. „Nee, we moeten verder, we moeten nou verder, al die dorpen krijgen we nog." Ze luisteren nog een heel tijdje onder het loopen naar het koue gesuizel van de beek. „Ik had er wel heelemaal in gewild", zegt Gabe. Aaike begrijpt dat. „Ik ook."