is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loopen. Maar Aaike die kijkt zoo. Ze doet tien-twintig stappen, en dan kijkt ze weer zoo . . . Nee, hij wil liever nog niet praten, wil liever nog een tijdje zóo doorloopen, dicht bij elkaar, in eikaars warmte, de armen nauw om elkaar heen. Hij is wat moe. Dat is van dat lamme m die dag — van het vechten tegen het vieze. Het is of hij de dag gedragen heeft op zijn nek, een dag van wel driehonderd pond. Hij zweette er van. Het is nou ook of hij als-maar door een nauwe hooge steeg gegaan is, een steeg waar maar geen end aan kwam. Maar nóu is de avond er toch. Hij is uit de steeg vandaan m de ruimte. En hij hoeft niet een klam gevoel te krijgen of met zijn oogen te knipperen als Aaike onverwachts opkijkt. En ze kijkt toch zoo vaak op! Nou begmt het weer. Ze kijkt een tijdje rechtuit, en ze kijkt weer naar hem op. Ze kijkt over het pad heen en dan kijkt ze weer naar hem op. Er is wat in Gabe, dat moet er stilletjes-blij om lachen. Maar dat lachen komt niet aan zijn mond. Hij pakt Aaike's arm raar-voorzichtig beet en drukt die in zijn eigen arm, dicht tegen hem aan. En ze loopen als een verloofd span. Hij denkt: „ We zouen al wel kinderen kennen krijgen, Aaike en ik." En dat maakt hem dan toch niet warm en kriebelig. Er is wat van die hooge ruime avond in hem, iets van het stille ook, en ook wat van het koele. „Je ben de dingen van vandaag voorbij", denkt hij, „je kan er nog maar alleen naar omkijken." Hij legt zijn hand zacht in Aaike s hand, handpalm op handpalm. „Dag" zegt hij stil. Ze gichelt er niet om. Het is niet om te gichelen. Ze zijn al een poos bij elkaar. Ze komen elkaar nou pas tegen: ze zijn nou pas bij elkaar. Dat is