is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aaike, als hij geld terug geeft. Ze kijkt zonderling en toch zoo hef. „Altijd", zegt ze vreemd. Er trilt wat in haar eene wang. Er zit een krom plooitje aan haar eene mondhoek. „Altijd", zegt ze. En het is ook zoo. Ze is er altijd. Ze zijn altijd bij elkaar. De zonneschijn valt ook binnen in hem, ook van binnen zijn er lichte muren.

Hij brengt met de handwagen de bestellingen rond, hij gaat ook met de bestellingen naar de vrachtlui toe. De zon spat uit de bolle keitjes, uit het korte groen rond de keitjes, de zon druipt van de huizen af. Gabe neuriet, hij fluit, hij doet zijn mond wijd-open en hij galmt zoo-maar een liedje. Hij zingt uit al zijn macht. Het kan net nog, hij is er nog net niet te oud voor. Op zijn hoogst grinniken een paar menschen er om, en die grinniken goedig. Het doet er anders ook niet toe. Hij zegt bij zijn-eigen: „Ik zing om Aaike, ik zing om het voorjaar, en nergens anders om!"

Hij staat bij de vrachtlui in het helle Maartsche licht, er zijn wel achttien zomersche dagen in deze maand! De paarden en de wagens flikkeren, de oogen van de mannen ook en ook de guldens en rijksdaalders in de beurzen! En uit de waren die vervoerd worden, springen kleine gouen zon-vonken en lange gouen zonscheuten.

De broer van de baas komt, dat is een pientere. Martien heet hij. Hij is veel jonger dan de baas. Hij is rood en sterk, hij is geen mijnheer, maar hij heeft goed zijn brood. Hij woont onder Unen en hij is molenaar. Allerlei waren zet hij af in de malerij, witte gierst en gele en trosgierst en wikken en tarwe en gepelde haver. Hij neemt ook allerlei nieuwe artikelen mee: zaden en bind-