is toegevoegd aan je favorieten.

Een menschenhart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

matige streeling, en luistert er ook naar luistert naar zijn hand, naar dat aaien binnen in haar armbuigmg het zegt haar wat liefs — het vraagt haar wat liefs — ze nijpt er af en toe sterk zijn vingers in vast.

De stilte staat daar omheen, de intieme beslotenheid van de keuken, het droomerige gesuis van water dat kookt is er bij en het knetteren van een houtvuur, dat onder de adem van de wind hooger oplaait. En dan ineens — waar vandaan en hoe? — zegt Aaike iets in de verte. Ze kijkt om — een hef dierbaar gezicht vol vreemde roerende innigheid, en bij dat gezicht wordt élke warmte koel en elke liefheid goedkoop. Er valt een streep zon over haar kin. „Ik zweer voor God en de hemel", zegt ze duidelijk, „dat ik Gabe Frowijn nooit en nóóit uit vrije wil zal verlaten. En als ik weg zou moeten gaan, dan zal ik toch bij hem terugkomen, toch en toch en toch, al moest ik ook op mijn knieën naar Weierlei kruipen. Ik zweer het, ik zweer het, zweer het bij mijn ziel en zaligheid. Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig." Gabe onthutst er van. Het is opeens of hij nog op dat pad naar Dentz staat, of hij de koue waterreuk van de Triep inademt. Alle jaren die daar over heen gingen, vallen ineens weg. Nog nooit heeft hij Aaike na die avond bij Griet Wamel — zoo duidelijk en precies die eed hooren herhalen. Hij denkt: „Toe met Anne-Lies Kessel was ze er ook. Om Godswil zei ze. Hij strijkt over zijn heet gezicht. „Er is wat bij , ziet hij in, „er is wat in dat alles, wat niet van menschen is." Hij kan niet met Annet Toedoer zoenen. Hij schrikt terug van die vragende roode mond, hij trekt zijn handen naar zich toe. „Ik kan het niet doen, het is toch